Vanaf vandaag ben ik weer in staat normaal te werken. Op het moment heb ik alle bestanden die ik de laatste tien jaar op schijf heb staan hier in Portugal. Ook dat is dom. Omdat mijn lievelingsschrijfpapier op was, netzoals mijn lievelingsenveloppen en ik daar neurotisch aan vasthou, heb ik dat uit Nederland laten overkomen. Een brief doet er normaal drie dagen over, maar twee of tien dagen is ook mogelijk. Maar alles dat groter is dan een gewone envelop doet er twaalf dagen over. En het maakt niet uit of dat via de aanstellerige 'priority' gaat of niet. Daarom ben ik zoveel brieven kwijtgeraakt, omdat ik wachtte met printen tot de boel er was.
Helaas niet mijn vaste merk enveloppen, terwijl ik het, dacht ik, nog zo goed uitgelegd had. Ik ga een cursus juridisch taalgebruik volgen zodat er voortaan geen enkele ambiguïteit meer zit in mijn explicaties.
Ik begin door te krijgen dat het uit de hand gaat lopen. Ik besteed veel te veel aandacht aan dit internetgedoe. Ik werk wel aan mijn boek, maar het gaat niet zoals de bedoeling was. Ik heb het mezelf voorgenomen, dus ik ga het afmaken ook, maar ik ga dit geen tweede keer meer doen, ook al ben ik nu geplaagd door buitensporig veel pech. Tegelijk weet ik dat ik al heel veel stof heb verzameld waar ik veel aan zal hebben en het domme feit dat ik er per dag tot vijfduizend woorden uitjaag is ook al goed. Ik dacht dat ik het niet meer kon, dat ik het al opgegeven had. In het begin heb ik iets geschreven dat ik niet meer kon associëren. Maar ik kan het nog steeds. Dat ik mijn boek op de achtergrond laat staan betekent wel dat ik hier nog een keer naar terug zal moeten keren. Dan in ieder geval niet meer naar kamer 301. Nu geloof ik het wel.
Ik heb ook besloten niet meer krampachtig over 'Pension F.' te spreken en het adres te verzwijgen en het gedoe met de poste restante begint me tegen te staan. Iedere keer maar uitleggen dat mijn achternaam niet 'Zjakoebs' of 'Catharina' is. Misschien een tip voor de Paspoortcommissie: de achternaam staat nogal onpvallend in het Nederlandse paspoort, heren en dames! Als dit op het web verschijnt is het nog maar drie weken. Je moet dan wel erg van me houden of een hekel aan me hebben om daar dan nog misbruik van te maken.
Ik schrijf voortdurend dat ik niemand mis. Ik doe het zo vaak dat het begint te lijken op de situatie waarbij iemand een vinger bij je achteroverbuigt: je roept steeds harder met een grimas 'het doet geen pijn, het doet geen pijn,' tot je pijn niet meer voelt.
Eén brief kwam retour, die kon ik alsnog gebruiken voor ik hem goed geadresseerd opnieuw verstuurde. De angst om dingen kwijt te raken werd opeens werkelijkheid. In tegenstelling tot wat er staat ben ik toch bij dat ik tenminste nog wat van mijn werk terugheb.
's Avonds ben ik naar 'Shakespeare in love' gegaan, die voor Sines al twee drukke avonden had gehad. Het was weer een film om je vriendinnetje mee naar toe te nemen. Ik trof daar de rosse, waar ik al eerder van onder de indruk was. Kort nadat ik voor de eerste keer over haar schreef zag ik haar achter een buggy voorbijkomen, maar ik neem nu aan dat het het kind van haar zus of tante is, of misschien haar nagekomen broertje. Ze blijkt wel een vriendje te hebben. Alleen weduwes of tieners tot en met dertien hebben geen vriendje hier. De rosse is niet echt mooi, maar ze is een aangename afwisseling tussen al die donkere types. Ik vond het overigens een leuke film, Gwyneth Paltrow is altijd leuk, voor zover ik hem kon verstaan. Het geluid is ongelofelijk slecht en de Portugezen zijn gewend om keihard te ouwehoeren. Achter me zaten twee meisjes hun verlegenheid met de romantiek te onderdrukken door luid commentaar te geven. Normaal zeg ik dan 'Kunt u wat zachter fluisteren?' maar nu wist ik me geen raad.
Jack Nouws
Pensão Fredemar
SINES
Willem Desmense
UTRECHT
Sines, 19 april 1999
Beste Willem,
Ik weet dat het discutabel is om theorieën over de soort dichter op jou te funderen, maar ik denk dat ik er niet ver naast zit als ik beweer dat je alleen romanschrijver kunt worden als je geobsedeerd bent door het verleden, met al zijn triviale feitjes. De prijs van melk in 1980, van een kleurenfoto in 1984, het zijn bouwstenen, samen met de gezichten, de anekdotes, de plaatsnamen, de datums. Jouw totale vergeetachtigheid, jouw totale desinteresse voor het verleden is iets wat mij totaal onwaarschijnlijk voorkomt. Van de andere kant zou zoiets heel bevrijdend voor me zijn. Omdat alles betekenis heeft ben ik niet in staat dingen weg te gooien, gebeurtenissen achter me te laten, mensen te laten gaan. Ik vergeet niets. Het verdwijnt alleen af en toe in de krocht van mijn geheugen, om me dan op een onverwacht moment, glanzend als nieuw op de nek te springen. Ik mag van veel mensen Cees Nooteboom niet mooi vinden, maar zijn opmerkingen over het geheugen in Rituelen lees ik sinds ik de voorpublicatie in 1980 of 1981 nog vaak over. Het is bijna prettig dat ik soms door overmacht dingen kwijt raak. Een van mijn nachtmerries is thuiskomen en een smeulende ruïne aan te treffen op de plaats van mijn huis. Tegelijk zou het een verlossing betekenen. Vrij van fotoboeken, gesigneerde romans, kinderspeelgoed, bitterkoekjes uit 1982, kroonkurken, steentjes, lege pennen, T-shirts en erfstukken.
Misschien is dat de reden dat ik in mijn tweede roman Chris Verhaeren op het eind de zee laat inlopen, waarna de zee alle zonden van hem afspoelt en hem liefdevol opneemt, om hem drie weken later in Hoek van Holland uit te spugen. (Ik moet nog uitzoeken hoe dat mogelijk is, want normaal als je voor de kust van Portugal verdrinkt spoel je aan aan de zuid-westkust van Engeland, maar hij kan natuurlijk ook verstrikt raken in een ankerketting en meegesleept worden. Maar wie zegt dat hij verdronken is?) Dat is een reden om romans te schrijven, dingen laten gebeuren waar je zelf te laf voor bent.
Ondertussen is mijn koffer alweer gevuld met grappig gevormde schelpen, onaards gekleurde steentjes en onleesbare tijdschriften.
Ik dacht dat ik je een plezier deed met de prijsontwikkeling sinds 1988, aangezien jij tien kilometer omfietst om ééntiende cent goedkoper te kunnen fotokopiëren.
Mooi is dat toch, elke dag wakker worden en de wereld zien alsof het de eerste keer is. Ik heb eens met R. gepraat over zijn eeuwige vrouwenzucht en hij vertelde dat hij ze niet kon onthouden. Elke keer als hij bij een vrouw was, was het alsof het de eerste keer was. Na de daad vergat hij ze weer. Ik niet. Na de daad staan ze in mijn geheugen gegrift. Of het waar is wat hij beweerde weet ik trouwens niet. Het klinkt weer als een mooie vertederende frase om vrouwen keer op keer opnieuw het bed in te leuteren.
Ik heb vandaag de Schrijver weer gezien. Hij is inmiddels een stuk kaler dan in 1988, toen hij nog op Tom Hanks leek. Maar ja, zelfs Tom Hanks lijkt niet meer op Tom Hanks. Pieter heb ik noit meer gezien, terwijl die me in 1944 nog vaak zat aan te staren.
Het is grappig dat ik al die verzonnen namen onthouden heb. Ben ik daar mee begonnen of jij? Ik weet dat mijn vader het op vakantie altijd deed, roepen, 'Hé, daar heb je Sjaak van John van Sjef Godrie' en verdomd, ze leken er altijd op. Maar de namen die wij bedachten sloegen meer op het uiterlijk en de uitstraling van de personen. De Dichter, ook nooit meer gezien. En Eva, die totaal on-Portugese van 1.80 op giraffebenen en met haar grote neus, die haar naam dankte aan De gemonteerde vrouw waarvan ik toen de kiem al meedroeg, ook nooit meer gezien.
Ik ben begonnen nieuwe namen uit te delen. Bijvoorbeeld aan Kees. Kees is ook simpel en hartstikkescheel. Zijn moeder knipt zijn haar in een bloempotmodel. Ferdinand kom ik vaak tegen, laatst zelfs met zijn moeder. Hij is een lief gekske. Kees is een beetje afstandelijk en mompelt in zichzelf, dat schrikt af. Ferdinand loopt altijd te zingen, dat is veel gezelliger.
Ik hoorde overigens dat zijn bijnaam hier 'Eléctrico' is, omdat hij doet alsof hij een tram is. Mooi.
Je vraagt of Harry die vrouw zonder tanden nog heeft, dus dat weet je nog. Waarschijnlijk omdat je zelf in 1988 een tand brak op een korst brood (je legde hem teder naast je glas bier, weet ik nog) en we opeens op gebitten begonnen te letten.
Dan vraag ik je alleen maar: welke? Boven de dertig (en dan ben ik nog mild) vind je nagenoeg geen Portugezen met complete gebitten. Er was toen zo'n klein mager vrouwtje, ik denk dat je die bedoelt. Die is weg. In 1994 was ze er nog, maar toen verscheen er zo'n proppig klein vrouwtje, ook met flinke gaten in haar gebit. Die is er nog. Ze maakt de boel schoon en ze is de kok. Ik denk dat Harry in zonde met haar samenleeft, want hij heeft (ex-)vrouw en kinderen in Frankrijk en een zoon van een andere vrouw in Lissabon. Dit wijfje heeft ook haar moeder meegebracht, geloof ik. Op zaterdag is het pension officieel gesloten en dan stap de hele meute, incusief Harry's vader in de auto, een Peugeot 504 Break, om een stukje te gaan rijden. Denk ik. Ze rijden om twee uur weg en om zeven uur zijn ze weer terug. Dat deden we vroeger in Zundert ook, op zondag. Dan gingen we 'toeren met de wagen'. Gewoon maar rijden. nergens heen, zomaar. Terwijl er toen al waren: Miniatuur Walcheren, Beekse Bergen, Biesbosch, Antwerpen, Drunense Duinen, Efteling, Heilige Landstichting. Of misschien hadden we die al gezien. Mijn moeder had daar enorm de schurft aan. Die wilde ergens naartoe. Die herinnerde zich haar tijd als kinderjuf in Antwerpen nog. Die wilde flaneren, over de Keyserlei. Mijn vader was geen man van flaneren, daar had hij het loopje niet voor. Hij liep als een kameel. Het is ook geen pretje, zomaar wat rijden in een Daf 44, met zijn ratelende motor en schokkerige koppeling. Ik mocht vanaf mijn elfde thuisblijven toen ik een neurotische angst ontwikkelde voor auto-ongelukken en niet meer in de auto durfde. Daar ben ik nu overheen. (Ik veroorzaak nu bij anderen die neurotische angst met mijn Daf)
Daar zit Harry dan in zijn Peugeot, met die vrouw en die twee bejaarden op de achterbank. Waar gaan ze heen? Wat doen ze in die tussentijd?
Het zal me worst wezen.
Harry heeft ondertussen nog steeds een feilloos gevoel voor vrouwen achter de bar. Je herinnert je waarschijnlijk dat lachebekje niet meer met haar blonde krullen dat in Fredemar elke klant het gevoel gaf dat ze dat flesje speciaal voor hem ontkurkte. Er werkt nu wederom een dergelijk type, Elizabet. Ze ziet er wat Portugeser uit dan die vorige. Klein, compact, onder de twintig. Ze is niet mooi, maar ze kijkt heel stout. Wat je ook doet, bestellen, afrekenen, een fooi geven, ze kijkt je heel samenzweerderig aan. Dat doet ze bij iedereen, maar iedereen geeft ze het idee dat ze het bij die anderen alleen maar doet om ze voor de gek te houden en dat het alleen maar om jou draait. De eerste weken was ze wat afstandelijk, maar nu tel ik ook mee. Het gevolg is dat ik iedere keer als ik haar zie in de lach schiet. Ik moet oppassen, want Pessoa is nu haar lieveling en voor ik het weet krijg ik al die flauwe grapjes over me heen. Afijn, ze spreekt geen woord over de grens, dus het zal wel meevallen.
En soms riekt ze naar zweet. Dat mag niet.
Dus je wilt met Uitgeverij IJzer het internet op? Heb er geen te grote verwachtingen van. Ik zou niet beginnen met een eigen website, maar een eigen thuispagina, of homepage, zoals de providers, aanbieders, het noemen. Voor een paar tientjes per maand ben je klaar. Ik zelf via mijn thuispagina ongeveer drie boeken verkocht. En voor een paar honderd gulden stickers. Boekenlezers zijn niet zulke surfers. Seksuele obsessies voorspel ik wel een grote omzet. Doe geen domme dingen voor je me geraadpleegd hebt. Ik heb meer verstand van internet dan zogenaamde internetadviseurs. Ik ben net Elsschot aan het lezen en ik moet erg aan het Algemeen Wereldtijschrift denken als het om internet gaat. Het is een kwestie van argelozen veel te veel geld laten betalen voor iets dat bijna niets kost. Ik hoef jou als uitgever niets te vertellen.
Ik heb mijn abonnement opgezegd, na anderhalf jaar. Ik vind internet, of ik moet zeggen het WWW (wereldwijde web), want dat zijn twee verschillende dingen, een soort uitgebreide teletekstpagina. Het is interessant dat het bestaat en ik ben blij te weten wat er allemaal te koop is, maar om daar zeventig (kabelmodem) tot honderdvijftig (gewoon modem) gulden per maand aan uit te geven is een beetje overdreven. Ik ga voortaan wel naar de bibliotheek en e-mailen kan ook zonder internetabonnement.
(Over e-mail zul je me niet horen. E-mail is een godsgeschenk, de beste uitvinding na de fax. Al mijn deadlines zijn 24 uur opgeschoven. Hoera!)
Casema biedt in Utrecht voor zeventig gulden per maand een abonnement met onbeperkte toegang tot het WWW. Je kunt dan krakkemikkig geluid horen, korrelige plaatjes bekijken, of filmpjes op postzegelformaat zien. Ondertussen kun je voor vijftien gulden dertig tv-kanalen met Dolby Surround ontvangen. Je snapt ook wel wat zo'n geprivatiseerde kabelmaatschappij dan gaat denken.
Ik weet niet of ik volbeladen met manuscript zal terugkeren. Misschien kom ik terug als in 1994, met een omgekeerde la aan materiaal waar ik nog anderhalf jaar mee bezig ben geweest om er een boek van te maken, maar dat doet er niet toe. Het is nu al vruchtbaar geweest. Net als in Nederland zit ik vooral veel na te denken, alleen word ik nu niet meer afgeleid door dertig kanalen, mensen die opbellen, enz. Te pletter gereden worden zal niet zo'n probleem zijn. Portugezen snappen alleen dat rechts voorrang heeft. Voorrangswegen, dat telt niet. En dan gebaren en woordenloos schelden als ik op mijn voorrangsweg gewoon doorrijd! 'Hier ligt Jack Nouws. Hij had voorrang, maar kwam niet van rechts.'
Ik heb erg genoten van je verhalen over Julia. Koningin van het Tolsteegplantsoen. Kom eens met haar langs als ik weer terug ben. Kan ze bij mij haar vingers in het stopcontact steken en door de glazen deur vallen. Ik doe het de laatste tijd erg goed bij kleine kinderen, terwijl ik ze eerst net zo erg haatte als honden. Misschien moet ik daar mijn conclusies ook maar eens uit trekken.
Ik zal ergens begin juni terug zijn. Ik ben niet van plan voor 31 mei alhier te vertrekken, maar ik weet ik niet of ik er nog een gemoedelijke excursie door Portugal aan zal vastkoppelen, of dat ik met gezwinde spoed terug zal keren. Ik ben nog niet eens halverwege mijn verblijf. Je ziet het vanzelf als mijn vaalwitte Daf weer onder je raam staat. En als de buren weer met pamfletten door de straat marcheren met daarop: 'Parkeer uw auto daar waar u verblijft.'
Vriendelijke groet,
Jack
Dinsdag 4 mei
Daar stond ik dan weer, in het midden van nergens. Waarom ik het deed weet ik niet, maar deze keer heb ik eens aan alle zekeringen gevoeld en toen deed hij het weer! Misschien was dat ook de remedie geweest in Spanje, besef ik nu. (Wat niet wegneemt dat de startmotor nog steeds angstaanjagend ratelt.) Vanaf dat moment niet meer gestopt en alleen maar genoten van het uitzicht, met het dak open. Tot het begon te regenen.
Daarna besloten week 7 als verloren te beschouwen en in ieder geval week 8 zoveel mogelijk in te tikken.
Woensdag 5 mei 1999
Gisteren nog eens geprobeerd te kijken of er belangrijke e-mails waren aangekomen. Niet dus. Ik heb toen aan Pedro gevraagd of hij misschien iemand wist die veel van Sines wist. Hij bleek aardig wat te weten. Vandaag heeft hij een paar boeken met legendes over Sines voor me vertaald. Verder wist hij nog wat plaatselijke anekdoten te vertellen. Over de verdwaalde zeehond die opeens aan de vissershaven zat. Aan de verlaten archeologische vindplaatsen, de Romeinse weg die hij gevonden heeft en die alweer overwoekerd is. Ik wil proberen meer uit hem te krijgen. Ik wil proberen hem mij een dagje te gidsen, maar wat voor vergoeding moet ik voor hem bedenken? Zoals Jaap Mooijman dinsdag zei, het wordt hier als heel onbeleefd beschouwd om meteen tot zaken te komen. Het gaat meer van: 'Hoe is het met de gezondheid, hoe is het met de vrouw, ik sukkel ook een beetje, wat een weertje, hè?, en trouwens, nu ik toch hier ben, kun je mijn dak komen repareren?' Hij is heel aardig. In plaats van te flightsimulateren laat hij me drie kwartier surfen. Maar veel meer heeft hij ook niet te doen.
Ik heb 's middags wel bij hem in de drukte gezeten, toen een half schoolklasje kwam surfen en twee mensen een Cartão Jovem wilden, een CJP.
Het is nog steeds kloteweer. Als je dan brieven krijgt dat in Nederland de zon schijnt...
Jack Nouws
Pensão Fredemar
SINES
Jiska Bours
UTRECHT
Sines, woensdag 5 mei 1999
Lieve Jiska,
Het is een beetje een kip-en-het-ei-situatie: hou ik nou van dikke konten omdat ik van Portugal hou, of hou ik nou van Portugal vanwege de dikke konten. Feit is dat ik met genoegen naar al dat passerende weelderige billenvlees kijk. De Portugese vrouwen, en zeker de morena's, zoals ze hier beneden de grote rivier heten, de zwarten, hebben allemaal kogelronde konten. Allemaal van die billen waar een tanga speciaal voor ontworpen lijkt. Boven de rivieren zijn de Portugezen voornamelijk Keltisch, beneden de rivieren bruist nog steeds het Arabisch bloed (toch, of misschien daarom: geen zwaarder belediging dan Arabier zeggen tegen een Portugees). Af en toe zie je hier regelrechte Marokkaanse meisjes lopen: glanzend zwart haar, zwarte irissen, een glanzend gouden huid en een onpeilbare houding (en natuurlijk een snor).
Eigenlijk is 'dikke kont' niet het goede woord omdat het iets negatiefs heeft. En omdat de vrouwen de 1 meter 60 zelden overschrijden kun je ook beter van dikke kontjes spreken. Geprononceerde billen is misschien beter.
Maar goed, dat draait en wiegelt hier allemaal maar voorbij op plateauzolen, over de op- en aflopende straten van het dorp. Ik ga soms op een terras zitten werken (al is het daarvoor de laatste twee weken te slecht geweest) en het leidt af. Ze zijn er niet bang voor om hun kont te tonen. De broeken en de jurkjes kunnen niet strak genoeg zijn, lijkt het wel. In Nederland zie je meteen welke vrouwen een dikke kont hebben, want die knopen een trui of vestje rond hun heupen (in plaats van die kont te verbergen roep zo'n truitje natuurlijk: 'Hé, hier loopt een dikke kont!'). Niet doen. Tonen, die kont.
Het is vreemd hoe in de loop de tijd je smaak verandert. En natuurlijk heb ik daar weer een theorie over. Zoals vrouwen rond hun dertigste broeds beginnen te worden (uitzonderingen daargelaten) en hun eierstokken beginnen te rammelen, zo vertonen mannen op een gegeven moment ook nesteldrang. Zonder hun aandacht voor de kuikentjes te verliezen, overigens, valt hun oog opeens op de tekenen van vruchtbaarheid: moederbekkens, sappige borsten, strategische vetreserves.
Het is maar een theorie, hoor.
In ieder geval kan ik er volmondig mee instemmen dat buikjes lief zijn. Maar ik moet je waarschuwen, voor zover ik mezelf als representieve spreekbuis van de mannelijke soort mag beschouwen, dat de crux in het suffix '-je' zit.
Het is misschien niet goed voor te stellen, maar er komt een tijd dat mensen Mein Kampf lezen zoals we nu De vorst van Macchiavelli lezen. Dat de Tweede Oorlog netzoiets is als de Tachtigjarige oorlog, een feitje uit de geschiedenis dat de loop der dingen veranderde, maar omdat je niet beter weet zal het je om het even wezen. Zo lang geleden. Ik ben nog van de tweede generatie, ik heb de oorlog nog via mijn ouders meegemaakt, zij het op een negatieve manier. Als chantagemiddel om soep met vetogen te lezen (zoals Mulisch eens zei, geloof ik) en als verpester van warme zondagmiddagen als we op bezoek moesten bij mannen die samen met mijn vader kogellagers maakten in Nürtingen en we die eeuwige slaapverwekkende verhalen moesten aanhoren die steeds erger werden hoe ouder hij werd en ons steeds meer koud lieten. Ik heb er nu overigens spijt van dat ik niet opgelet heb. Nu kan ik het niet meer aan hem vragen. Als ik terugben in Nederland wil ik iedereen die nog wat van hem af weet gaan interviewen.
Zoals je ziet ben ik weer terug met mijn computer. Alleen mijn gedigitaliseerde handschrift moet nog overgeseind worden. Vandaar deze kille Palatino. De afhankelijkheid van de techniek en het falen daarvan hebben buitensporig veel tijd opgeslokt. Wat dat betreft is dat een experiment dat een beetje verkeerd uitgepakt heeft. Ik heb al met zal zeker vier weken gespendeerd aan het oplossen van problemen. Dat ie heel frustrerend. Daarom blijf ik ook een week langer.
Tegelijk heeft het me heel veel energie gegeven, van godverdomme, nu eens aan de slag. Het valt op zich wel mee met wat ik kwijt ben. Alleen de aanzet tot een novelle over mijn vader die ik kwijt ben, daar baal ik van.
De wanhoop en frustratie zal ik allemaal toch handig kunnen gebruiken en al zijn mijn brieven verdacht lang, ik verzamel een berg stof en anekdotes.
Ik spreek geen Portugees, al gaat het lezen inmiddels wel aardig en alle staande uitdrukkingen als 'Het is allemaal niet niks', weet ik inmiddels wel te beantwoorden met een andere dooddoener. Gelukkig spreken de meeste Portugezen, vooral de jongeren, vrij goed Engels. Dus ik peur overal verhalen uit met het smoesje dat ik mijn stukje voor de krant uitgewerkt in Nederland wil publiceren. Een leuke anekdote: onder Sines ligt het Praia de São Torpes. Daar is het hoofd van Torpes, een vazal van Nero, aangespoeld. Nadat bleek dat hij christen was, werd hij onthoofd en in de Arno gegooid. Zijn hoofd spoelde aan in Sines (toegeschouwd door een hond en een haan, zegt de legende een beetje raadselachtig) en zijn lichaam in Frankrijk, op een plaats die werd omgedoopt tot: Saint Tropéz. Allemaal leuk voor mijn boek. Ook dat bijvoorbeeld inwoners van Sines meestal naar Nederland gaan als ze naar het buitenland gaan, terwijl Frankrijk een logischer keuze zou zijn. Tot mijn vreugde zitten hier ook dolfijnen (ook haaien trouwens, maar die doen niks), essentieel voor mijn verhaal en er spelen ook wel eens dode potvissen aan. Komt ook weer goed uit.
Ik heb mijn stukje voor de krant eerst in het Nederlands geschreven, daarna vertaald in het Engels, waarna het in Portugees werd vertaald. Daarna hebben we een middag zitten zwoegen om het goed te krijgen. Vertalen is een vak apart. Ze probeerden de Engelse tekst zo nauwkeurig mogelijk te vertalen, terwijl het belangrijker is er goed Portugees van te maken.
Als we een wedstrijdje gaan doen wie het meest in het openbaar jankt win ik misschien wel. De Nouwsen hebben de traantjes altijd al snel klaar gehad. Oma Nouws moest altijd al huilen als ze me zág, omdat haar dat natuurlijk deed denken aan de tweede zoon die ze had overleefd. Een beetje alcohol erbij en we zijn helemaal klaar. Omdat ik een sentimentele dweil ben heb ik een droeve dronk. Af en toe is het wel genant. Ook op deze reis springen op de meest onverwachte momenten de tranen in mijn ogen (zowiezo rolt er bij sommige inspanningen vanzelf een traan uit mijn linkeroog, er zal wel ergens een schakelaartje verkeerd staan). Toen mijn vader net dood was moest ik huilen bij de Albert Heijn toen de magere vruchtenyoghurt in de aanbieding was, het enig wat hij op het laatst nog kon eten, en ik dacht 'O, even flink inkopen,' en besefte dat het niet meer hoefde. (Pas sinds een jaar kan ik dit verhaal vertellen zonder te gaan janken.) Gelukkig is het niet meer in de mode om in tv-series en soaps mensen Alzheimer te laten krijgen, zoals mijn moeder. Gelukkig heb ik vrienden die jaloers op me zijn dat ik kán janken, in plaats van dat ze het stom vinden.
Ik liep een keer naar huis toen er een groepje jonge vrouwen voor me uitliep. Eentje had een bruidssluier op haar hoofd, de anderen allemaal een identiek t-shirt. Een vrijgezellenparty, dus. De aankomende bruid had een rijmende tekst op haar rug die ik niet helemaal meer uit mijn hoofd weet, maar de strekking was zoiets als: 'Ik ben Linda en als je me wilt kussen roep me dan gauw, want overmorgen ben ik getrouwd.' Ik riep toen 'Hé, Linda.' Ze draaide zich om en toen zei ik: 'O, nee, laat maar.'
Het is heel gemakkelijk iemand te beledigen met zomaar wat. Ik fietste een paar maanden geleden naar De Bastaard toen ik twee kerels passeerde waarvan er een 'Hé, lelijkerd' riep. Vreemd genoeg begon mijn bloed te koken en had ik het liefst hem met zijn kop door de etalageruit van de tapijtenwinkel in de Domstraat geslagen. Ik begrijp niet waarom iemand dat zegt. En altijd iemand die niet alleen is. Ik kan goed tegen opmerkingen over mijn bril, had ik maar een burgerlijker modelletje moeten uitzoeken, maar 'Hé, schele' is nog steeds genoeg om mijn avond te verpesten (daarbij ben ik niet scheel, ik heb een lui oog en een cilindrische afwijking). Op zulke momenten wenste ik dat er toch telepathische of telekinetische krachten bestonden. En dan is het maar goed dat er een wapenwet bestaat in Nederland. Ik begrijp het wel dat je van slag ben als drie van wijven op een bromscooter 'lelijkerd' noemen, maar heb jij ooit een schoonheid op zo'n ding zien zitten?
Liefs,
Jack
Donderdag 6 mei
Als ik vorige week overlees zie ik dat ik af en toe ongeïnspireerde brieven heb geschreven. Dat is het nadeel van in je eentje zitten werken. Je mist een redactie, iemand die je afremt en je op herhalingen en vergissingen wijst waar je zelf stekeblind voor bent geworden. En omdat er zoveel tijd tussen gebeurtenis en opschrijven zat, ben ik zelfs een hoop vergeten. In Lissabon, in het 'desfile' van 25 april zag ik bijvoorbeeld nog iets prachtigs: een blinde accordeonist ingehaakt in de arm van een manke zanger. Misschien deden ze het expres, ik weet het niet. Ik weet niet of ze in Portugal het spreekwoord kennen. Ook mooi: een waslijn naast de deur, met zes knuffels in felle kleuren, naast elkaar allemaal aan hun oren opgehangen. Een balkon met een wasrekje vol wit en zwart kanten ondergoed. Een oude man eronder die naar de open deur staat te fluiten. Kees, zoals ik een van de gekskes noem, zo scheel dat hij zichzelf lijkt aan te kijken, die op een glanzende mountainbike door het verkeer scheurt. Jacobse, met zijn gezicht als een verfrommelde prop krantenpapier, in zijn sjofele kleren, met opgetrokken schouders op glimmend witte gymschoenen. De hond met het glazen oog (dat moet de droevige hond zijn). De weduwe van in de vijftig, altijd het in zwart, maar met een rok boven de knie omdat ze benen heeft waar een mannequin jaloers op zou zijn. Het jongetje in het postkantoor dat niet doorheeft dat de rij opgeschoven is en mijn been verwart met dat van zijn moeder: de blik als hij zijn vergissing doorheeft. Dat allemaal.
Het weer blijft klote. Bewolkt, koud, regenachtig, miezerig.
Dit is mijn zestigste dag hier. Op 21 april was ik precies 38eneenhalf. En het was de vijfenveertigste dag, als alles normaal was verlopen: de helft van mijn verblijf.
Een van de dingen die me van slag bracht door de crash was het verlies van mijn budget. Ik hou mijn uitgaven zo nauwkeurig mogelijk bij. Op het zieke af. Gelukkig heb ik het zo goed mogelijk kunnen reconstrueren, ook voor de belastingen, want deze reis is aftrekbaar omdat ik hem voor mijn boek gemaakt heb. Ik heb iets met rekenen. In tijden van stres of verwarring ga ik altijd rekenen. Mantra's. Ik ben heel slecht geweest in hoofdrekenen. Toen las ik in 'Het Beste' (het gaat nu over 1970 of daaromtrent) het verhaal van iemand die kentekenplaten optelde. In die tijd had je nog een lettercombinatie met twee cijfercombinaties. 08-14-RX, 22-GK-98, enzovoort. Ik raakte er op een gegeven moment zelfs verslaafd en ik denk dat ik op een gegeven moment alle mogelijke uitkomsten uit mijn hoofd kende. Als ik JN-19-60 zág schoot er onmiddellijk '79' door mijn hoofd. Zonder na te denken. Als ik in Zundert in de Molenstraat stond, op weg naar huis, dan kon ik niet het smalle steegje in naar de Heerdgang. Nog eentje, nog eentje. Het mooiste vond ik het als de uitkomst een even getal was.
Ik kan in Portugal mijn lol dus wel op, omdat ze deze combinaties nog gebruiken. Alleen interesseert het me niet meer. Ik heb nu een andere mantra. Geen simpele optelsommen, maar berekeningen. Redactiesommen? Hoe lang een mens in zijn hele leven klaarkomt. Hoe lang een tandenborstel meegaat (drie maanden keer 10 minuten per dag is 900 minuten is vijftien uur). Hoe lang een auto meegaat (200.000 kilometer, bij een gemiddelde van 60 km/u is 3.333 uur, oftewel slechts éénderde van een moderne spaarlamp)
Of hoeveel insekticiden autorijden bespaart. Er zijn in Nederland zes miljoen auto's. Stel dat vier miljoen daarvan elke werkdag een rit maken. Per dag vliegen zich daarbij 25 insecten kapot op een auto (gemiddeld, in de zomer zijn het er veel meer, in de winter onmeetbaar weinig). Dat zijn er 100 miljoen per dag. Dat zijn er per werkweek 500 miljoen, als we een paar feestdagen niet mee tellen komen we uit op 25 miljard per jaar. Alleen in Nederland. Een beetje insect weegt een kwart gram. Dat is dan 25.000.000.000 x 0,00025 = 6,25 miljoen kilo. Dat is 6,25 duizend ton per jaar. Zeg maar 150 veertigtonners met dode torren, kevers, wespen, muggen, motten en vliegen per jaar. Hoeveel insectiden spaart dat per jaar niet uit? Maar ook: hoeveel meer vleermuizen en zwaluwen zouden we hebben als er geen auto's reden?
Vandaag meer dan 6.000 woorden geschreven, ik ga er beneden eentje nemen.
Jack Nouws
Pensão Fredemar
SINES
Floor Scheltens
ZEIST
Sines, Donderdag 6 mei 1999
Lieve Floor,
Eind jaren zeventig was ik een grote fan van Genesis en van alles wat ooit in de groep had gezeten. In 1979 ging ik naar een concert van Steve Hackett, de ex-leadgitarist, in Muziekcentrum Vredenburg Utrecht. Het was net geopend, maar oogde toen al een luguber. In die tijd dacht ik nog fotograaf te worden en daarom schoot ik twee rolletjes vol. De fraaiste exemplaren daarvan gingen in een fotoboek dat we met een aantal fans naar hem opstuurden. Goed een halfjaar later verscheen zijn nieuwe lp (jeweetwel, zo'n zwarte vinyl schijf, een in grote kartonnen hoes) Defector, met op de binnenhoes een collage van concertfoto's. Twee daarvan waren van mij. Ik was apetrots en belde de voorzitter van de Nederlandse fanclub van symfonische muziek op (dat was toen het genre waarmee o.a. Genesis, Yes, Gentle Giant en Steve Hackett aangeduid werden). Die was echter pissig omdat zijn foto's erop stonden. Zonder naamvermelding, zonder toestemming, zonder vergoeding. Dat verpestte mijn feestvreugde niet, want ik was fan. Maar het begon wel te knagen. In 1980 of 1981 trad Hackett weer op in MCV (ik vond inmiddels Wire en Tuxedomoon leuker) en ik ging erheen met de twee foto's uitvergroot en een spandoekje met de tekst 'I'd like to see you'. Omdat ik weer foto's aan het maken was stond ik voor aan het podium. In de pauze tussen twee nummers riep ik 'Steve!' en hield mijn waren omhoog. 'Oh, there's someone who wants to see me,' mompelde hij. Na afloop van het concert ben ik naar de artiestenfoyer gegaan en de portier liet me naar binnen. Hackett bleek een klein, naar zweet ruikend mannetje te zijn dat een verwijfd slap handje gaf. Ik kan me niets van het gesprek herinneren. Hij signeerde de hoes met mijn foto's en dat was het. Een grote teleurstelling. Ik heb nooit meer iets van Hackett gedraaid.
Hartelijk dank voor je biografie van je geboorte op 12 november 1977 tot en met 6 april 1997. Ik miste eigenlijk die van je grootouders van beide kanten nog. Je hoeft je niet verontschuldigen voor je stijl of spelvermogen. Ik heb erg moeten lachen om je verhaal over Den Ham, waar je probeerde te integreren door bij de harmonie te gaan. En dan kies je de hobo, het verkeerde instrument om je populair mee te maken. Vertel me eens: wat is het juiste instrument dan wel, wat heeft de grootste sex-appael? En wat dat spellen betreft: Simon Vestdijk wist niet eens hoe de interpunctie in elkaar zat. Al zijn boeken werden grondig geredigeerd en laatst kreeg ik een brief van een niet onbekende auteur met drie koeien van spelfouten. Erger was nog dat hij gezien had dat hij een fout gemaakt had, waarna hij die wederom verkeerd verbeterde...
Het klinkt mischien pedant, maar neem deze wijze les van me aan: excuseer jezelf nooit in een brief voor stijl, spelling, grammatica of verteltalent.
Ik was aangenaam verrast nog iemand tegen te komen die begonnen is zijn leeshonger met Pinkeltje te stillen. Ik heb ze ook allemaal verslonden. Ik was zo'n nerdje dat om twee uur twee boeken kwam lenen en ze dan om vijf uur weer terugbracht om twee anderen te lenen. Daar hebben de katholieke biebjuffen toen een stokje voor gestoken. Waarschijnlijk omdat het teveel werk was. Ik mocht ook geen wetenschappelijke boeken meer van ze lenen, dat was veel te moeilijk voor me. Daar zat misschien de pastoor achter, die ik in de tweede klas van de lager school tegensprak, toen hij vertelde dat de wereld in zeven dagen was geschapen. Ik wist daarentegen dat 65 miljoen jaar geleden de dinosaurussen waren uitgestorven, waarna de zoogdieren het overnamen en de mens uit een aftakking van de stamboom van de apen evolueerde. Verder vertelden die biebmiepen later ook tegen mijn moeder dat ik graag naar plaatjes met blote borsten keek, maar ik denk dat mijn moeder allang blij was dat ik geen homo was, ondanks mijn binnenzitterige boekenmanie. De pastoor heeft me ook nog misdienaar gemaakt, maar dat heeft me niet gesticht. Integendeel, ik ben atheïst geworden (maar wel een katholieke). Maar ik dwaal af.
Ik vond alleen Pinkeltje leuk, Wolkewietje wat minder. Het indrukwekkendste vond ik het dat af en toe meneer Dick Laan in het boek optrad. Meneer Dick Laan kende zijn Brecht, dat was wel duidelijk. Alhoewel ik denk dat het niet als Verfremdungseffekt was bedoeld, maar als bewijs dat Pinkeltje echt bestond.
Ik ben laatst begonnen al die klassiekers uit mijn jeugd te kopen. Kruistocht in spijkerbroek, Sjakie en de Chocoladefabriek (komt terug in mijn volgende boek), Torenhoog en mijlenbreed, Panokko, maar van de meeste weet ik de titel niet meer. Bestaat er een boek dat De witte steen heet?
Dank je voor de complimenten over mijn werk. Net als met kritiek weet ik nooit zo goed hoe ik er op moet reageren. Je opmerking over het ritme is erg verrassend. Ik had daar nooit echt over nagedacht en ik hoop niet dat ik nu voortaan op het ritme in mijn zinnen ga letten, zodat ik niets meer opgeschreven krijg.
Je hoeft je geen zorgen te maken over mijn bronchitisaanvallen, je kunt het nauwelijks vergelijken met astma – zeker zolang ik nog geen astmatische bronchitis heb. Als waarachtige hypochonder heb ik een Codex Medicus en daarin las ik dat bronchitis kan omslaan in longemfyseem en dat is dodelijk, geloof ik. Meestal heb ik in het najaar een aanval. Het is net een zware verkoudheid, met een dagje koorts, gevolgd door longen die pruttelend verstopt zitten. Ik ben dan bekaf van op en neer fietsen naar het postkantoor, maar lopend zou ik het niet eens halen. En dan gaat het vanzelf weer over. Sinds september 1998 heb ik er echter drie gehad en de ergste was dus begin maart dit jaar. Die kon zich meten met die van 1973, de allerergste, toen ik tegelijkertijd een acute blindedarmontsteking had. En dat is erg, als je buikspieren doorgesneden zijn terwijl je die nodig hebt om te hoesten.
Het heeft ook veel met het klimaat te maken. Toen ik de droge lucht van Portugal kwam was het nagenoeg meteen over. De komende weken zal ik echter getergd worden door de hooikoorts. Ik heb oogdruppels meegenomen omdat ik van de neusspray onstelpbare bloedneuzen krijgen.
Mijn god, ik ben echt een wrak, als ik dit overlees.
Ik vond het overigens een zeer aangename avond op 4 maart in De Bastaard. Ik was wel een beetje uitgelaten, vanwege een soort van afscheidsfeestje dat ik thuis had gehad met vrienden.
We zijn op het eind via 't Pandje ook nog in de ASP beland met twee vrouwen uit je gezelschap, dat was ook heel aangenaam, qua verrassende gesprekken.
Ik werd zaterdag ook nog vermanend toegesproken door een jongen uit je gezelschap die vond dat ik te flirterig was geweest tegen zijn vriendin, maar hij ging toch mijn boek kopen, zei hij, dus hij was niet echt boos.
Liefs,
Jack
PS:
Doordat de HD van mijn PowerBook kapot ging heeft het wat langer geduurd voor ik een antwoord kan schrijven dan de bedoeling was. Het schijnt dat Hugo Claus het manuscript van Het verdriet van België verloren heeft, waarna hij het helemaal opnieuw geschreven heeft. De versie die wij kennen is maar flauw afgietsel van die eerste versie. Het schijnt ook dat Hugo Claus er plezier in heeft interviewers lulkoek aan de neus te hangen, maar ik kan je naar waarheid zeggen dat de verloren gegane versie van deze brief veel minder was.
Vrijdag 7 mei
Harry werd gisteren vertrouwelijk. Sinds hij me Fredemar te koop aanbood wordt hij steeds openhartiger. Over Elizabet, die negentien is maar 'comme une bébé' is 'dans la tête'. Over zijn vorige vriendinnetje dat nu bedrijfsleider bij een supermarkt in Santiago. Over zijn huidige 'copine' en waar de naam Fredemar vandaan komt. In 1988 beweerde hij dat het van 'Frederico' en 'Mar' komt, zijn naam en de zee. Nu blijkt echter dat de reden waarom hij hier in 1980 wilde komen wonen toch wat romantischer is. Die Mar staat voor Marietta. Maar helaas, na een paar jaar ging dat fout. Ze woon hier nog steeds. Dus Jackemar als nieuwe naam zit er niet in. Het is een verbitterd man. Ik was van plan vanavond het dorp in te gaan. Pedro vertelde me waar het allemaal leuk was in Sines en vooral, niet te duur. Wat de snobtenten waren en wat de ruige. Dat is toch allemaal belangrijk om te weten buitensland, want voor je het weet zit je je gezellig in een hoerenkot te drinken. Harry bleef me echter volstoppen met gratis bier, zodat ik op een gegeven moment half van mijn kruk afviel. Gratis is toch nog steeds het gezelligst. Hij vroeg wat ik zaterdag ging doen. Hij ging naar een fado-avond in Santo André en of ik zin had mee te gaan. Dat had ik. Om negen uur afgesproken, want hij ging eerst naar Melides, om de broer van zijn vriendin te helpen bij het slachten van een varken. Dát had ik nou een willen meemaken.
Vandaag voor het eerst van de week langdurige zon. We hebben dagen van hevige regen achter de rug. Het begon me te irriteren. Ik heb deze week alle verloren brieven opnieuw geschreven. Dagen ven 6.000 woorden achter de rug. En waar doe ik het voor? Voor een handjevol mensen. Ik heb eigenlijk veel te veel contact met de buitenwereld. Gisteren was mijn zestigste dag. Het klinkt ongelofelijk kort. Het liefste zou ik nog een tijdje blijven, maar ik zal terug moeten, teveel gedoe rust nu op anderen.
Het is stilletjes in het pension. Er zijn maar drie gasten. Pessoa, een oudere dame, wier verblijf hier door de staat betaald wordt en ik. Harry heeft het oude vrouwtje dat hier helpt naar huis gestuurd. Zijn copine is echter een grote sloddervos. Ze maakt heel slecht schoon. De wc wordt goorder en goorder en ruikt wel naar bleekwater, maar op de vloer onstaan vreemde klonten.
Het begint een steeds grotere puinzooi te worden in mijn kamertje. Een volgende keer ga ik ook ergens anders logeren. In ieder geval niet meer op deze kamer. De pijn in mijn nek blijft, al is het minder.
Cassettedek heeft kuren, printer heeft kuren, alles een puinzooi.
Peter Tekelenburg
UTRECHT
Sines, 6 mei 1999
Beste Peter,
Ik heb een met vulpen geschreven epistel aan je naast me liggen, zes kantjes, gedateerd 29 april, maar uiteindelijk heb ik toch besloten een brief te tikken. Misschien juist als reactie op jouw met Oost-Indische inkt en kroontjespen geschreven brief.
Daarbij moet het jou als kunstenaar natuurlijk bekend zijn dat je materiaalkeuze het eindresultaat bepaalt. Ik schrijf op mijn PowerBook sneller, waardoor de kans dat ik gedachtenassociaties in het schrijfproces kwijtraak kleiner is. En mocht het toch gebeuren, waarna ze bij overlezing alsnog opduiken, dan kan ik ze naadloos en zonder doorhalingen invoegen. De schrijfkramp is na zes kantjes niet veel minder dan de muispols na vier.
Niet alleen de techniek laat me in de steek: ook het weer laat het afweten. Ik had het liefst aan het strand gezeten om live verslag te doen van het leven aldaar. De laatste weken is het vervelend wisselvallig: regen, harde wind, kou. Ik had net zo goed op Rottumerplaat kunnen gaan zitten.
Terwijl het in maart zo leuk was en ik omringd werd door levenslust, gelach, geroep, gestrandvolleybal en geflaneer. Kortom, door jong vlees. Op het gevaar af een oude geilaard te worden: als het jong is, is het altijd mooi. De meisjes zijn allemaal compact gebouwd, met dikke konten), ronde heupen, kleine borsten en een fluwelen huid. De jongens zijn allemaal jonge goden. Pezig, gespierd, een kop met dik haar, een wasbordje als buik, gebronsde huid en amper behaard.
Goed er zijn uitzonderingen: bleke, bijna doorschijnende meisjes van 1 meter 76, gnomen met zwaarbehaarde armen, maar zoals uitzonderingen altijd doen...
Er zit zondermeer een sociale selectie in. Zoals bij de Winkel van Sinkel in Utrecht alleen meisjes solliciteren die de benen hebben die die korte rokjes kunnen verdragen, zo lopen op het strand alleen de degenen die de minimale kleding kunnen verdragen. En daarom is het strand van Sines gevuld met mooie jonge mensen.
Ik bekijk de pret met de nodige verbazing. Ik heb op die leeftijd nooit meegedaan. Ik hoorde de verhalen wel van klasgenoten die in gemengd gezelschap met zijn allen naar het strand gingen, of gewoonlijker, naar het zwembad. Ik bleef thuis. Ik heb heel lang gedacht dat mijn afkeer van groepsgedrag uit de beginjaren van mijn studie stamde, toen ik in vivo meemaakte wat ik later op college kreeg als groepsdynamica. Maar ik kan me, nu ik hier over heb zitten nadenken, herinneren dat ik op de middelbare school al automatisch het omgekeerde deed van de rest. Omdat iedereen rond zijn zestiende begon te roken deed ik het niet. Omdat iedereen rond zijn achttiende met joints begon te experimenteren deed ik het niet. En helaas, omdat iedereen in die tijd met seks begon te experimenteren, was ik er pas verdomd laat bij.
Spijt? Zoals een vent van wie ik een lift kreeg een keer zei: 'Je moet alleen spijt krijgen van de dingen die je gedaan hebt en niet spijt krijgen dat je iets niet gedaan hebt.' Ik vond dat toen van een ongelofelijke levenswijsheid getuigen, maar het blijkt ook maar een kalenderwijsheid.
De Portugese jongeren hebben de gewoonte om in een kring bij elkaar te gaan liggen. Op hun buik, hoofden bij elkaar. Lachen. Smiespelen. Aanstellen. Als jongen is het een strategische houding, om de onvermijdelijk optredende stijve te verbergen: vanaf vijftig meter zie ik zelfs de decolletés van de meisjes. En zo ligt het hele strand vol aangespoelde zeesterren, waarvan de ledematen af en toe in de wind wapperen. Het ziet er heel schattig uit, maar de gesloten kring houdt meteen het buitensluiten van anderen in. Je ziet ze soms aan de vloedlijn zitten.
In de Paasvakantie, toen het elke dag warm was, lagen er twee meisjes (een met kort zwart haar, de ander met lang bruin haar) en een jongen tegenover me. De jongen en de kortharig lagen de hele met elkaar te vozen. De ander dag waren ze er weer, alleen lag de jongen nu met de brunette te vozen. Mijn god, wat een mannelijke fantasie werd daar uitgespeeld: twee vriendinnen die één man delen. Ik wou dat ik het kon meemaken, ik wou dat ik het kón, want je moet wel een karakter van schokbeton hebben om in een ménage à trois te kunnen leven.
In werkelijkheid hadden de meisjes om beurten hun vriendje meegenomen, natuurlijk. Maar neem me niet kwalijk dat mijn fantasie af en toe met me op de loop gaat.
Op de strandmuur zitten de wat oudere jongeren, één oog op hun brommer, één oog op de meiden, die óf op het strand, óf een stukje verder op de strandmuur zitten. Deze jongens zijn fixe (fiesj) zoals ze dat hier zeggen. Cool.
Naast de gemengde groepen heb je ook groepjes die alleen uit meisjes bestaan. Die hebben weer een onweerstaanbare aantrekkingskracht op groepjes jongens die capoeira-oefeningen gaan doen. Of zich gaan aanstellen met een voetbal. De meiden giechelen en kijken zogenaamd niet. Maar als ze naar het water lopen gaat de route vlak langs de jongens.
In de Paasvakantie stond er een jonge slanke god vlak bij me. Zijn lange glanzende haren in een staart, een sierlijk sikje, zijn gebronsde taps toelopend bovenlichaam wellustig ontbloot, een zwarte berberbroek aan en op blote voeten. Ik heb zelden iemand zo zelfbewust zien rondparaderen en zijn lichaam zien tentoonstellen. Geniet er maar van, dacht ik, over tien jaar, als je achtentwintig bent zie je eruit als de rest van de mannen hier: een leren schildpaddennek, couperosewangen, een rode neus en waterige ogen van zon en drank.
Daarna zuchtte ik omdat ik besefte dat ik nooit jong ben geweest. Was het Oscar Wilde die zei dat de jeugd een veel te kostbaar goed was om aan de jeugd te verspillen?
Bedankt voor het stukje van Martin van Amerongen. Ik heb hem een brief gestuurd. Hij schrijft in zijn column van 17 april iets over mij, gebaseerd op andermans verhalen. Hij noemt me een thrillerauteur. Hij zegt dat ik hemeltergend slechte boeken schrijf en hij noemt mijn boek De zelfgemonteerde vrouw (dat zou eventueel nog een grap kunnen zijn).
Ook dat zogenaamde mezelf beschuldigen van plagiaat is een, door de Volkskrant (Junte) en VN (Storm) opzettelijk verkeerd geïnterpreteerde aanklacht tegen de politiek-correcte plagiaatjagerij van mij, in een ironische vorm gegoten. De grap is in mijn gezicht geëxplodeerd, ik geef het toe. Ik had beter een keurig stuk voor de opiniepagina kunnen schrijven, met veel geciteerde uitspraken van andere schrijvers. Als je intelligent en belezen wil overkomen moet je andere schrijvers citeren, daar houden redacties van. Maar wel serieus blijven, jongen, de literatuur is een serieuze zaak. Als je de kans hebt kun je het volledige verhaal op mijn internetpagina lezen. Ik weet het adres niet uit mijn hoofd.
Het vervelende is alleen dat het verhaal wat ervan gemaakt is hardnekkiger is dan de waarheid. De grap zat hem in de vorm. Niet in de inhoud. Ik heb van Amerongen een brief gestuurd, in de stijl van die eerste brief en als dat ook verkeerd aankomt, het zij zo. Ik heb hem anders hoog zitten, die Van Amerongen.
Een van de dingen die ik inmiddels heb geleerd: een journalist werkt net als een romanschrijver. Hij heeft een idee, gaat materiaal verzamelen en gebruikt daarvan alleen dat wat zijn idee bevestigt. Ik had dit nog als troost aan Henk Westbroek willen schrijven, na de opwinding rond zijn uitspraak dat Jos Lemaier voor zijn part een dwarslaesie mocht oplopen.
Ik moet zeggen, ik ben een dag in een bus met Jos Lemaier op stap geweest en aan het eind van de dag, toen hij in het gangpad van de bus nog steeds stond te oreren en bijna zijn evenwicht verloor toen de bus de Domstraat indraaide, waren er een heleboel mensen die tegelijk hetzelfde dachten.
Ik ben verbaasd over je verbijstering over de plannen met het Utrechts stadhuis. Het is allemaal al uitgebreid beschreven. Ik meen overigens dat het merendeel van de panden in oude staat wordt hersteld en daarbij is er bij de verbouwing vorige eeuw, toen er een nieuwe (neo-romaanse?) gevel tegen de middeleeuwse panden is geplakt, toch al niet veel oorspronkelijks overgebleven.
Ik was laatst in de Baixa in Lissabon, om precies te zijn in het Chiado, dat in 1988 afbrandde. Hoewel iedereen dacht dat de hele binnenstad was afgebrand, ging het om één straat. Wel de meest tot de verbeelding sprekende straat, maar toch: één straat en dan ook nog maar zes of acht panden. Er was een architect die het gat wilde opvullen met postmodernistische gebouwen. Mocht niet. Terwijl hij alleen maar wilde doen wat de Marquês de Pombal (Markies van de Duiventil) tweehonderdvijftig geleden ook gedaan heeft, toen die de door een aardbeving en vloedgolf weggevaagde middeleeuwse binnenstad verving door gebouwen volgens de nieuwste inzichten en architectuur. Zo mooi is die Baixa ook weer niet, met zijn geometrische plattegrond en kaarsrechte straten met eenrichtingsverkeer waar de taxi's doorheen racen. Het was juist moedig geweest om die postmodernistische suikertaarten daar neer te zetten.
Ik zou me daarom ook maar meer zorgen maken over de invulling van het UCP, want die megalomane Riek Bakker vertrouw ik voor geen cent. Er is nog geen gebouw ontworpen voor het UCP en voor je het weet krijgen we weer twintig van die nietszeggende glazen torens. Ze zouden De Utrecht kunnen herbouwen?
Overigens heeft men de verloren gegane gebouwen in het Chiado minutieus herbouwd. Dat zal wel de reden zijn waarom de helft nog steeds niet af is. Elf jaar later!
De Joegoslaven zijn verbeten Partizanen. Mijn moeder is veel naar Joegoslavië geweest, ook toen Tito nog leefde. Elke zender zond elke dag minstens één partizanenfilm uit, vertelde ze. Niemand krijgt ze eronder in een grondoorlog. Dat is de Duisters niet gelukt. Ze hebben hun eigen koers gevaren onder de Russen.
Maar nu hebben ze in Servië een gek als president.
Natuurlijk is elk weldenkend mens tegen oorlog, maar er heerst een enorme bloeddorst in de wereld. Ik denk dat oorlog in onze genen zit, dat is de oermens in ons. Jaren van vrede en stabiliteit hebben de behoefte aan bloed doen ontstaan. De mens staat aan de top van de schepping, door de voortdurende behoefte aan prikkels. Dat maakt intelligent. Leergierig. Onrustig. En bloeddorstig. Het wordt alleen maar erger, op straat- en wereldniveau.
Overigens ontgaan het me hier grotendeels, zoals je terecht vermoedde. Ik begrijp de analyses op tv niet goed, lees de VN met vertraging. Ik zie niet veel beelden, want ik kijk tv terwijl ik eet en de meeste restaurants willen geen oorlog tijdens het eten.
Er klinken aanklachten tegen ons: 'Zie je niet dat er opnieuw gebeurt wat nooit meer opnieuw mocht gebeuren?'
Het vreemde is dat ik daardoor eerder begrijp wat de Joden overkwam. Eerder de mensen begrijp die niets deden. Ze begrepen het toen helemaal niet. Ze konden helemaal niet plaatsen wat ze hoorden. Er was oorlogsdreiging, de economie was kapot en dan gingen er ook nog verhalen over deportaties. Er was toen geen tv, er waren geen rechtstreekse verslagen. Wat een verschil had het kunnen uitmaken als de media toen de moeglijkhden van nu hadden.
En des te meer bewondering krijg ik daardoor voor de mensen die het wel geloofden en zich inzetten voor onderduikers. Dat was heldenmoed.
Wat zijn er toch verdomd weinig helden.
Ik zie je,
Jack
Zaterdag 8 mei 1999
Vandaag eindelijk weer eens mooi weer. Echt mooi. Harry zei dat hij Petrus een brief had geschreven. Ik liet hem maar lullen. Vandaag is ook de Notícias de Sines verschenen met mijn stukje. Toen ik boodschappen ging doen op de markt en later naar Vela d'Ouro ging merkte ik dat iedereen me aankeek. God, ze hebben het gelezen, nu weet iedereen mijn mening over Sines, dacht ik.
Toen ik mijn galão half op had kwamen ze de krant pas brengen. Niemand had hem nog gelezen. Dat maakte het meteen een stuk gemakkelijker. Ik weet niet waarom ik zo bang ben voor de reacties.
Ik ben naar het strand gegaan. Volgens Harry moest ik naar de afgelegen Areas Brancas aan het noorden. Omdat hij over een zandweggetje sprak ben ik het eerste zandweggetje ingedoken. Ik denk dat ik geluk heb gehad dat het net een paar dagen was opgehouden met regenen, zodat er geen modder meer was en nog geen stof. Het was het verkeerde weggetje bleek later, dat doodliep op een brandgang waar je alleen met 4 x 4 overheen kunt. Daarna moest ik nog over een enorme steile duin en daarna: de zee. Ik was daar helemaal alleen, zonder de tientallen naakt zonnende schonen die Harry me beloofd had. Ik vond het hemels.
De duinen waren beplant, in geometrische figuren. Toen ik naar de zee liep zag ik dat het bijbelverzen waren: GE 21,17; MA 21,4 enzovoort. Honderden verwijzingen. Ik ga er een paar opzoeken als ik thuis ben.

De weg terug was een even groot avontuur. Ik heb met H. twee of drie keer zo'n onverantwoord zandweggetje gereden. De eerste keer bij Bragança. We reden met de kaart op de knieën een dorp binnen, op een route die volgens Renteldekwentel leuk was voor avonturiers. De bewoners moesten keihard lachen toen ze zagen wat we van plan waren. Maar het is wel gelukt. De tweede keer was ook bij Bragança. Als we een tegenligger waren tegengekomen hadden we achteruit haarspeldbochten in weggetjes van drie meter breed moeten maken. De derde keer was aan de Algarve, op zoek naar zo'n beschut rotsstrandje, toen ik tegen een steile berg omhoog ben gereden. Ook heel dom, alle drie de keren goed afgelopen. Deze vierde keer ook en toen ben ik daarna toch maar de goede weg opgereden naar de Areas Brancas. Geweldig, een officieel strand, met een café gemaakt van aangespoelde deuren en scheepsluiken. Natuurlijk ook hier weer de auto's met de neus naar de zee en de stelletjes. Een van de weinige manieren om privacy te vinden in Portugal. Maar dan is het des te vreemder dat het meisje haar puistjes bestudeert in het buitenspiegeltje en de jongen een sportblad leest. Ga dan liggen vozen, denk ik.
Harry zat om negen uur in het restaurant Vasco da Gama, van de atletiekclub Vasco da Gama. Hij had nog geen zin om weg te gaan, dus we hebben daar nog wat gezeten. Harry met Cointreau voetbal kijkend, ik met koffie de krant lezend (poging daartoe). Oost-Timor onafhankelijk, goed zo (het is net zo raar dat een Indonesiër Portugees praat, als dat hij Nederlands praat, maar toch). Terwijl we daar zaten in die vreemde holle ruimte kregen we twee plakken cake voorgezet. 'Voor de kunstenaars,' zei de eigenaar.
Tegen tienen zijn we weggereden, in die enorme bak van Harry. Hij vertelde dat het heel gezellig was geweest en dat hij liever in Melides was gebleven. Hij had al flink gezopen. Ik had beter kunnen rijden met mijn auto, hij had een beetje moeite met zijn plaatsbepaling en daarom hield hij de middenstreep recht onder de auto.
De 'Grande noite de fado' was in een restaurante tipico. Dat wil betekent dat ze gezellige dingen aan de muur hebben, zoals zeisen, hertenkoppen en bloemstukjes; geen tl-bakken maar gloeilampen en, ook heel apart, géén tv. Het zou om half elf beginnen, maar de artiesten zaten nog te eten. Harry raakte aan de praat met de buurman en die vertelde dat er nóg een fadoavond was. Daar zijn we heengegaan, omdat Harry het niet gezellig vond. De andere avond was in het door Petrogal gesponsorde activiteitencentrum van Santo André, alleen moesten we daar entree betalen. De enorme hal met maar een kwart van de tafeltjes bezet deed me niet veel gezelliger aan en ook hier zaten de artiesten nog te eten. Dus om half twaalf werd er pas begonnen. Ondertussen keken Harry en ik dan maar naar de serveerster, een ongelofelijk mooi Angolees-Portugees meisje van een ongelofelijke ééntachtig, met een ongelofelijk kort Winkel van Sinkel-rokje en triest gezicht dat in een nanoseconde in één glimlach kon veranderen. Het werd een vermoeiende avond, door de moeizame conversatie. Er zat een grote familie met een tandenloos besje aan het hoofd van de tafel. Harry vertelde dat ze hoerenmadam was ('des affaires avec des petites filles') en verder nog meer verhalen. 'Als ik wat jonger was geweest. dan had ik je het echte Portugal laten zien,' zei hij, 'maar ik ben nu te oud.' Toen probeerde ik 'Je bent net zo oud als je je voelt' in het Frans te vertalen en daar ben ik zeker vijf minuten mee bezig geweest. En toen doofde het licht.
Was het mooi? Ik ben in 1996 in Lissabon in het fadorestaurant Ribatejo geweest. Een van de zangers daar, Rui nogwat, zag ik vlak voor mijn vertrek dit jaar in 'Lied van Verdriet', bij de VPRO en toen schoten de tranen in mijn ogen. Dit waren allemaal amateurs, sommige waren wat beter dan anderen. Ook het tandenloze besje zong. Als ze klaar was kreeg ze een staande ovatie van haar familie. Maar het was tamelijk onverstaanbaar. Vanwege die tandenloosheid. Ondertussen ging het eten door. De traditionele snack is een geflambeerde worst, die het wonderschone serveerstertje boven haar hoofd in het donker ronddroeg. De traditionele drank sangría. Om twee uur werd er soep rondgedeeld onder de artiesten en toen vond Harry het genoeg. Hij had geen zin om om vier uur thuis te komen.
Zondag 9 mei 1999
Een betrokken dag. Gelukkig brak in de middag de zon door. Een Telegraaf gekocht, al had ik me voorgenomen dat nooit meer te doen. Ik kan zo agressief van die krant worden. Onderwerpen van niets. De borstverkleining van Pamela Anderson op de voorpagina. En als er een goed onderwerp is, een stijl van een schoolkrant. Onhandige formuleringen met altijd een komma voor 'dat' en altijd een komma tussen twee werkwoorden. Onleuke columns enzovoort. En dan die foto's! Altijd de boze briefschrijver terwijl hij een boze brief schrijft. Een slachtoffer dat aan de buurman de deuk in het spatbord aanwijst. De uitvinder met schroevendraaier leunend naast zijn laserscrambler. Wat een armoe.
Op het uitgestorven strand gezeten. De laatste weken ligt de vloedlijn bezaaid met kleine krabbetjes, honderden. Ze zijn paars (als een gezwollen eikel), worden teer roze (als een vers litteken), en verbleken tot een paarlemoeren doorschijnendheid (als vers geëjaculeerd sperma). Toen ik hier aankwam waren het diepzwarte haaieneieren die de stranden bedekten. Zo zal elk seizoen wel aan zijn eigen vreemde vruchten te herkennen zijn.
Niet traditioneel bij Harry gegeten. Ik vind het eten te slecht. Naar Holy Man gegaan. Weer heel druk. Het was een aardige film, maar niet bijzonder. Eddie Murphy blijft eeuwig Axel Foley. Na afloop nog wat aan de bar gehangen. Er zaten Nederlanders in het pension, waar ik op de gang nog even een praatje mee gemaakt hebt. Hoe komt iemand erbij om in Fredemar te gaan slapen? Daarna, op weg naar mijn kamer altijd weer die angst: ben ik weer agressief aanwezig geweest? Heb ik weer de getergde intellectueel uitgehangen, de betweter, kortom, de idioot?
Ik zal het hopelijk nooit weten.