Niets blijft me bespaard. Na het gesodemieter met mijn auto is nu het gesodemieter met mijn PowerBook begonnen. Zaterdag was een normale dag: meestal blijf ik dan zo lang mogelijk op mijn kamer omdat ik dan gewassen heb en de was dan in de gaten kan houden. Tegelijk ligt mij kamer zo gunstig qua lichtinval dat ik aan streeploos bruin kan werken. Ik weet wat het was. Door de wind sloeg er af en toe wat water van mijn uitdruppelende spijkerbroek op mijn PowerBook. Misschien was het de volle zon die op de kast brandde. Toen ik een toets aansloeg ontwaakte hij, maar de harde schijf maakte alleen maar een astmatisch getik. Ik herkende het geluid. Hij was kapot.
Alles kwijt, want ondanks de twaalf floppies in mijn koffer, een voor elke week, had ik maar één keer een back-up gemaakt en niet van alles. Het domme is dat ik wist dat het fout kon gaan. De harde schijf maakte al een tijdje een fluitend geluid en ongewone geluiden zijn een voorbode. Daarom wilde ik eerst mijn Zipdrive meenemen, omdat ik daarvanaf ook kan werken, zij het wat langzamer dan van een harde schijf en omdat back-uppen veel gemakkelijker is. Om een of andere reden heb ik het niet gedaan, terwijl er ruimte genoeg is in mijn koffer en het ding weegt niets.
Ik wilde hem per koerier laten opsturen, tot ik bedacht dat R. uit Utrecht eind deze week naar Milfontes komt. Ik heb Lieke, mijn huisoppas, gebeld en die zal zorgen dat alles in orde komt. R. is ook akkoord, dus dat is een kleine opluchting. Het heeft mijn weekend weer verpest. Voornamelijk omdat ik kwaad op mezelf moet zijn. Er is nu een klein lichtpuntje: ik zal toch echt aan iets nieuws moeten. In deze ga ik geen geld meer steken.
Wim Voermans
Tilburg
Sines, maandag 26 april 1999
Beste Wim,
Je hebt ooit eens gezegd dat ik aan het Miss Marple-syndroom lijd: de hele wereld weerspiegelt zich in het kleine dorp waar ik vandaan kom. En je hebt ook ooit eens gezegd dat iedereeen die uit Zundert komt voor de rest van zijn leven de toren van de H. Trudokerk met zich meesleept. Trudo. Had Zundert geen heilige kunnen uitkiezen die niet associeert met 'trut'?
'Zundert, oh Zundert, of liever oh Jeruzalem' heeft Vincent van Gogh ooit over zijn geboortedorp geschreven. Ik zal eens opzoeken wat hij letterlijk geschreven heeft. Als het al niet in het Frans was. Ik heb de titel al geclaimd voor het boek dat ik ooit over Zundert ga schrijven. 'Hoe Vincent uit Zundert verdween.' Als d'n Autour nog bestond zou ik onmiddellijk weer een herdenkingsuitgave in elkaar draaien, alleen al voor de titel.
Net als jij heb ik ook last van de Volendamisering van het Zundert van vroeger. Bij jou is het mischien nog sterker dan bij mij, omdat ik pas in 1984 terugkeerde naar Zundert en mijn jeugd daar overgeslagen heb (Eerlijk gezegd denk ik dat ik mijn hele jeugd heb overgeslagen. Misschien moeten we onze krachten weer eens bundelen, net als voor Het Dopplereffect, waarbij ik jouw anekdotes gebruikt heb voor mijn verhaal. Jij vertelt en ik maak er een roman van.) Ik herken mijn Zundert ook niet meer. De walgelijke bestratingen, de minirotondes die elk dorp tegenwoordig in benauwde omhelzing houden. De Aldi's, de Albert Heijns, de Etossen, die al die rare winkeltjes hebben vervangen waar je na sluitingstijd aan de achterdeur gewoon terecht kon. De witte schimmel aan nieuwbouw aan de rand (huizen van witte stenen, dat is toch het lelijkste wat je kunt bedenken), de rigoureuze sloop van alles wat ouder is dan vijftig jaar en dat allemaal toegezien door de Rabobank, het lelijkste gebouw van Zundert, waarvoor nu al drie keer karakteristieke panden gesloopt zijn.
Nee, Zundert is Zundert is niet meer.
En Zundert is overal. Afgelopen weekend werd in Portugal gevierd dat het 25 jaar geleden is dat er een vreedzame revolutie was op 25 april. 25 Abril sempre. Hier in Sines begon het op 24 april met een groots feest op het sportpark, ingeleid met een churasqueira, een barbecue. Met een salsaband, theater, een corrida voor de vrijheid en vuurwerk aan het strand, begeleid met muziek.
Toen ik het sportpark opliep voelde ik onmiddellijk waar ik was: op het veilingterrein, op maandagmiddag, tussen de bloemencorsowagens. De Sineensen hadden zich mooi gemaakt en wandelden keuvelend over het terrein en praatten alsof ze elkaar niet elke dag op straat tegenkwamen. Het jonge volk liep naar elkaar te lonken, of met de nieuwe liefde te pronken. De oudere pubers stonden op afstand naar elkaar te gapen, de jongens, bij de jongens, de meisjes bij de meisjes. En de kinderen liepen zichzelf te vermaken: over greppels springen, krijsend rondhollen, lachend rondjes lopen als een hondje dat op zijn eigen staart jaagde. In een hoek stonden vier barbeques waarop speklapjes werden geroosterd. Op balies lagen tonnen met wijn. Op verzoek kreeg je een fles water of ananaslimonade. Je begrijpt dat al deze gratis waren niet alleen de brave burgers van het dorp aantrokken. Ook de plaatselijke junks en alcoholisten (buitenproportioneel veel voor een dorp met 16.000 inwoners) waren aanwezig. Plus de nodige merkwaardige figuren. Zo trof ik al een keer een jongen in een grillrestaurant die van alle teruggekomen kippenbotjes het vlees pulkte en dat in een plastic tas meenam. Toch een flinke hoeveelheid. Hij liep deze avond ook rond, nu met twee tassen met afgekloven spekzwoerden. Merkwaardig. Hij viste ze ook uit de prullenbak, die hij moest delen met een oud mannetje dat alle wegwerpglazen opstapelde om mee te nemen. Ik weet dat ze PET gebruiken om er fleecetruien van te maken, maar ik zag hem hier nog niet mee breien. Daarnaast sjouwde er nog iemand met vier plastic tassen met broodkorsten.
Het is raar, maar er zijn nog mensen straatarm tussen de nouveau-riches.
De wijn die in gammele oude houten vaten zat smaakte overigens naar gammele oude houten vaten.
Maandagavond in Zundert, als iedereen aan lange schragentafels zat in een feesttent met André van Duin als bandparodist, Ria Valk in kojbojpak of Rob de Nijs, die heel aanstellerig liet zien dat het 'laaif' was door af te wijken van de tekst en regelmatig 'Oe' en 'Yeah' te doen. Ik heb nog steeds een hekel aan mensen die dat doen. Maar wel proberen hem aan te raken.
Of is het toch meer zaterdagavond op Autour de Vincent, wanneer de steelband alle kleine kinderen tot middernacht wakker hield en de buurvrouw waar je heimelijk op verliefd was haar schoenen uitschopte en heupwiegend zich liet meevoeren op de muziek? Je moeder sprak er schande van.
Voor de salsaband optrad was er eerst een videopresentatie met beelden van 25 jaar geleden. Gedichten, een toespraak van de burgemeester en natuurlijk de volledige uitvoering van Grândola, vila morena van José Afonso. En daarna sprong iedereen de dansvloer op. Van jong tot oud, allemaal dansen. Groepjes van vier meisjes met rugzakjes die tien tellen wild met hun haar wapperen, het weer in model brengen, rondkijken of iemand hun ziet en dan weer gaan wapperen, enz. Groepjes van vier jongens die meisjes met wapperende haren uitlachen, maar in een dranghek klimmen om ze beter te kunnen zien en stuk voor stuk niet aan elkaar durven toe te geven dat ze het liefst met zo'n meisje hand in hand naar de ondergaande zon zouden staren. Daarom stompen ze elkaar maar.
Ik ben niet zo'n danser, dus ik heb toegekeken. Tegen twaalven was het afgelopen. Niet vanwege de herrie, maar omdat de revolutie een paar minuten na twaalven losbarstte, met Grândola, vila morena als geheime teken voor de militairen.
Leden van het plaatselijke theatergezelschap Teatro do Mar waren verkleed als geheimagenten van de PIDE, de Stasi van het fascistische Portugal en begeleidden ons naar het centrum, schreeuwend wat er allemaal verboden was. Alles, dus.
Op een hoog podium zong een prachtig meisje niet heel erg zuiver een fraai lied over hoop en toekomst, er werd gerapt, vrienden en vriendinnen, ouders en oma's keken trots toe en een heleboel inteeltkoppen maakten de boel belachelijk omdat ze niet wisten hoe ze erop moesten reageren. En de organisaties waren niet op elkaar afgestemd want de lange-afstandslopers moetsen zich door het straattheater heenworstelen.
Daarna vuurwerk, waar vrij willekeurig klassieke muziek bij werd gedraaid. Daarna ik naar huis, omdat ik op 25 april zelf in Lissabon wilde zijn.
Het feit dat er zoveel om dat middernacht draaide had me op een idee kunnen brengen, maar dat deed het niet. In Lissabon werd met een massaal straattheater de revolutie nagespeeld, maar ook dat gebeurde volgens het oorspronkelijke tijdschema. In de nacht van 24 op 25. Die is veel belangrijker dan dat 25 april zelf. Ik kwam dus in een tamelijk leeg en uitgestorven Lissabon aan. Na de eerste zorgen (van autorijden moet ik altijd enorm pissen en ik ben te goed opgevoed om op klaarlichte dag in een hoekje te gaan staan), ben ik een beetje gaan rondkijken. Mijn stamcafé in Lissabon, A Brasiliera, was dicht, al deed de enorme massa op het terras het eerst anders voorkomen. Het waren toeristen die zich om beurten naast het beeld van Pessoa lieten fotograferen. Tot vermaak van de Lisbonetas. Op het Largo do Carmen daar vlakbij was een openlucht radio en tv-studio ingericht. Daar heb ik even staan luisteren naar moderne uitvoering van Grândola, vila morena, en toen ben ik de stad ingelopen. Dom, er was niets meer te doen. Ik ben toen de Valentim de Carvelho ingelopen, een Portugese platenketen en heb een beetje naar cd's geluisterd. Er was een dubbel-cd met 'cançoes com historia', twee uur met ooit verboden of belangrijke muziek uit de jaren zestig en zeventig. Onder andere met Grândola, vila morena, natuurlijk. Terwijl ik door de rest heenscande, gebeurde er iets wat me alleen bij Foolish Games van Jewel en Never, never van Shirly Bassey gebeurd is: de tranen sprongen spontaan in mijn ogen. Ik hoorde een lied een titel die zoiets betekent als Het afscheid van de emigrant. Maar goed, je hebt al mijn internetdagboek al gelezen, dus je zult wel gezien hebben dat ik heel wat afgejankt heb. Ik weet ook niet wat het is. Het is de laatste jaren steeds erger geworden en met een beetje alcohol erbij zijn de kleppen van de hel. Het is alsof ik niet mijn verdriet verdrink, maar het juist omhoogdrink. Op carnavalsdinsdag ben ik helemaal een natte dweil. Maar goed, een droeve dronk is minder lastig voor je omgeving dan een kwade dronk, zeg ik nooit.
Ik weet niet of je ooit wel eens in Lissabon bent geweest. Er loopt een hele lange avenue door de stad, die vanzelfsprekend de Avenida da Liberdade (Avenie'dlieberdaad) heet. Toen ik daar langs wandelde, op weg naar ik weet niet wat, voelde ik het opeens zinderen van verwachting. Je kent dat gevoel misschien ook wel op de vroege ochtend van het bloemencorso. Je bent het dorp nog niet in, maar uit alles blijkt dat er iets staat te gebeuren. Uit luidsprekers schalde een house-remixversie van Grândola, vila morena. Ik merkte het eerst aan ronddrentelende mensen met een rode anjer in hun knoopsgat. Groepjes studenten uit Coïmbra in hun tradionele mantels. En vooral aan die eenzame mevrouw die op een klapstoeltje langs de kant zat.

Ik weet dat nog wel van vroeger, van die mevrouwen die al om negen uur op hun klapstoeltje langs de route van de tocht zaten. Lunchpakketje en drnk in de koelbox. Om hen heen in de loop van de dag een patroon van uitgespuugde druivenpitten die anders onder hun gebit waren gekomen. Als het een beetje een warme dag was zagen ze trouwens die optocht helemaal niet, want dan waren ze allang met een zonnesteek afgevoerd. De ambulances reden af en aan.
Die mevrouw moest eens weten wat ze bij me teweegbracht.
Het was duidelijk, er stond iets op til. Dat bleek het 'desfile' te zijn. In het begin van de optocht een grote groep mannen, toen waarschijnlijk jonge studenten, die stenen naar de PIDE hebben gegooid. Er werd tenminste enthousiast geapplaudisseerd. Ik stond midden tussen de ouwetjes die voortdurend elkaar met betraande ogen in de armen vielen. Het leeft nog steeds. Maar goed, 1974, dat is ook nog maar zo kort geleden. En ik kan me helemaal niet herinneren dat er iets van op tv is geweest. Ik kan me van die tijd alleen maar het dagelijkse verslag van de Vietnamoorlog herinneren. Elke dag de doden en gewonden, de aanvallen, de verklaringen, de leuzen op de muren.

Na de gebruikelijke jongeren volgde een onafzienbare stoet groepen die 'Vingtcinquo Abril sempre' scandeerden. Maar omdat dat niet lekker bekt, probeer het maar eens, was 'Fascimo nunca mais', populairder. Iedereen deed mee. De motorclub, de potten en poten, de volksdansgroepen, de negers, de zigeuners.

Hoe langer de stoet duurde hoe politieker de leuzen werden. En actueler. Elke denkbare groep verklaarde dat Portugal uit de Navo moest stappen, dat vrede alles was. Dat dat toch een beetje ingewikkeld lag bleek uit het spandoek van de Oost-Timorezen: 'Vrede is mooi, maar vrijheid is beter'. Ze kregen wel applaus van de ouwetjes.
Ja, het was een vreemd soort bloemencorso, met die enorme zee van rode anjers overal overheen.
Door de optocht heen trokken verschillende cameraploegen en het viel me weer een op: hoe politiek of liefdadig of verdrietig de manifestatie ook is, het zijn altijd de mooie meisjes die worden gefilmd.
Na anderhalf uur geloofde ik het wel met alle dorpjes die meteen gebruik maakten van de gelegenheid om te verklaren dat ze een eigen ziekenhuis wilden. Ik ben naar Amoreiras gelopen, ben op de weg terug hevig verdwaald in de metro (waar natuurlijk weer iemand de weg aan mij vroeg), en ben tenslotte een volkwijk ingelopen waar de echte Portugese restaurants zitten. Een frietkar kennen ze hier niet. Een tafeltje verderop werd een verjaardag gevierd, met een zelf meegebrachte verjaardagstaart bij de koffie. Ik heb twee keer mijn verjaardag alleen gevierd, in 1986, ook in Lissabon en in 1992. Niet leuk.
Dus teruggereden en aangekomen, tegen twaalven in een uitgestorven pension. Harry zat een beetje mismoedig aan zijn eigen bar. Hij was zo blij dat ik op zijn kap heb mogen drinken.
Ik kijk nu met tamelijk veel humor terug op die kapotte Volvo waarover je schrijft, precies zoals ik later kan terugkijken op mijn kapotte PowerBook. Ook mijn gettoblaster heeft kuren, een harde tik in het cassettegedeelte, zodat ik het in slaap vallen met Brian Eno of iets dergelijks kan vergeten (het was toch altijd maar half/half omdat hij aan het eind van het bandje met een harde tik afslaat, een beetje zoals Ernie die een zacht liedje voor Bert zong dat eindigde met een trompetsolo).
Ik denk dat ik de wanhoop goed kan gebruiken om de reis van Chris Verhaeren te beschrijven. Daarom ben ik ook gegaan. Iets doorstaan maakt het gemakkelijker om er over te schrijven. Daarom wil ik ook nog een lsd-trip gaan maken.
Ik ben bang dat het niet ophoudt, maar er zijn niet veel essentiële dingen meer die kapot kunnen gaan. Zonder printer en camera's kom ik er ook nog wel.
Of marathonlopen iets voor mij is weet ik niet. Ik kan op zich op zijn tijd de monomanie wel opbrengen. Het werk aan De gemonteerde vrouw was een marathon op zich. Ik weet nog dat ik op een vrijdagavond aan het werk was. H. was uit en ze besloot me nog even op mijn kantoor op te zoeken. Maar toen stond ze voor de deur en zag me hard aan het werk, terwijl dronken studenten door de straat galmden. Ze raakte zo ontroerd dat ik zat te werken, terwijl iedereen aan het feestvieren was, dat ze doorfietste. Ik ben nog steeds niet in mijn ritme, maar misschien komt het. Ik schrijf meer dan 2.000 woorden per dag.
Ik ben liever lui dan moe, altijd al geweest en ik heb zwakke knieën. Dat broodmager worden zou wel iets voor mij zijn. Ik zal er eens over nadenken.
Doe Angèle de groeten,
Jack
Dinsdag 27 april 1999
Ik blijf maar een beetje tandenknarsend rondlopen. Ik had ook een uitgebreid financieel overzicht gemaakt, nagenoeg elke cent in een spreadsheet genoteerd. Iedereen heeft zijn mantra's. Ik ga rekenen. Sommetjes maken. Budgetteren. Optellen en aftrekken. Weg. Daardoor ben ik echt van slag. Helemaal uit mijn ritme. Om te voorkomen dat het verloren week wordt kopieer ik de geschreven brieven en tik ze later wel in. Veel brieven gekregen de laatste weken. Ik had er vier nog niet uitgeprint. Weg.
Dus. Dan maar zoveel mogelijk het mierenboek doorwerken. Ik kreeg een brief van Peter Tekelenburg met een column van Martin van Amerongen in de Volkskrant die me afzeikt. Het is duidelijk dat hij iemand napraat, want de informatie heeft alle tekenen van tweedehands nieuws. Ik heb een ironische brief geschreven.
Er is een tentoonstelling in het cultureel centrum met portretten van jongeren die in 1974 geboren zijn, die elk drie belangrijke plekken in hun leven hebben gefotografeerd. De pontal, een rotsblok in de zee, kwam bij nagenoeg iedereen terug. Carlos, van Notícias de Sines, die erbij was, vertelde fluisterend dat dat de plaats is waar je je maagdelijkheid verliest. Grinnekend vertelde hij later welke plekken nog beter zijn. Het kasteel, waar ik het in 1988 nog met C. heb gedaan was niet ideaal, maar zoals hij zei, elke plek waar het donker is is goed.
Lang met Lieke aan de telefoon gehangen, gisteren. Het was wel lekker om eens Nederlands te praten in plaats van steenkolen-Frans of MTV-Engels.
Joost van der Vleuten
AMSTERDAM
Sines, maandag 26 april 1999
Beste Joost,
Portugezen hebben een selectieve smetvrees. Een teken daarvan is de plastic zak. Portugezen zijn verslaafd aan plastic zakken. Wat je ook koopt, er gaat een plastic zak omheen. OK, dat je broodjes in een zakje gaan, dat is nog wel te begrijpen. En dat de verkoopster de broodjes oppakt met haar hand in een plastic zak gestoken ook nog wel. Ik heb een keer een verkoopster bij mijn bakker op de Nieuwegracht in haar hand zien hoesten voor ze daarmee een ons flikken in een zakje deed. Ik zag de mevrouw die de bestelling plaatste verstijven, maar ze zei niets. Hier wordt niets zonder handschoenen aangeraakt. Op de markt moet je zelfs zelf je groente en fruit pakken, op de Utrechtse markt een doodzonde, omdat het mooie fruit er voor de show is en je rotzooi in je zakje meekrijgt. Er liggen dan ook stapels plastic zakken tussen de tomaten. Als ik mijn ene tomaat afgeef om gewogen te worden krijg ik die daarna dan ook keurig in een sacco plastico aangereikt. Een puntje kaas, een drinkyoghurtje, een pak koekjes, als je niet uitkijkt loop je weer met zo'n pastelkleurig hemdtasje. Ik had in Nederland al een verzameling neutrale stevige plastic tassen aangelegd, ideaal voor op vakantie: gebruiken tot ze versleten zijn en dan je afval erin verpakken. Binnen een paar weken had ik een enorme bult tasjes. Als je boodschappen doet bij een van de hypermarché's die langzaam het land infesteren heb je je spullen in zes van die tasjes staan voor je het 'mielkienjentoesèdeesj' hebt vertaald naar de beschikbare bankbiljetten en munten in je portemonnee. Daarom breng ik nu maar elke dag mijn afval naar de vuilcontainer, het zakje zo geknoopt dat één handvat een hengsel vormt. En het komt soms zelfs al voor dat ik een weggewaaide plastic zak gewoon laat gaan. 'Go, my friend, go with the wind.'
Het rare is alleen dat hier soms van die plastic zakjes aan de waslijn hangen te drogen nadat ze zijn uitgewassen. Vlaggen van een armoedig soort welvaart.
Ben ik wel gelukkig, vraag je, na lezing van mijn brief en internetdagboek. Ach Joost, wat is geluk? Ik heb daar voor de Nieuwe Revu ooit een stuk over geschreven. Het staat ergens op mijn thuispagina, het heet De Betty Blue-ziekte. Ik vind al heel lang (sinds mijn zeventiende, denk ik) het leven één grote wrange grap. Geluk is een vorm van jezelf voor de gek houden. Ik moet daar eens een filosofie van maken, want als ik hier een beetje over ga freewheelen ben ik bang dat ik al snel in cliché-uitspreken verzand.
Ik heb het best naar mijn zin hier, anders, dus als je dat geluk kunt noemen en je hebt mensen die het pas naar hun zin hebben als ze kunnen klagen. Ik heb zo ongeveer mijn tweede maand volgemaakt en wat mij betreft blijf ik nog even. Maar dat klinkt weer als vluchten voor het leven in Nederland.
Het kontenkijken valt al bijna drie weken tegen wegens slecht weer. Port kopen gaat goed. Vorige week zag ik in een InterMarché (daarom geeft het niet, bij een kleine zelfstandige had ik het nooit gedaan) een Vintage 1994 (Real Companhia Velha) voor 799$00 (ƒ 8,80). Dat moest zijn 7.999$00 (ƒ 88,80). Ik heb er meteen 5 gekocht, met trillende handen, omdat ik dacht dat de cassière wel zou inzien dat het luxe kistje waarin ze verpakt waren al duurder was. Je kunt hem pas over vijf jaar drinken, overigens. Totale score: acht flessen.
Ik voel ondertussen de kiem van het tweede boek wel in me groeien. Ik zit met een paar praktische dingen. Ik noem het nu De honden van Porto Branco, maar ik werd er op gewezen dat er een boek bestaat dat Het strand van de honden heet. Daarbij denken Portugezen bij 'Porto Branco' eerder aan 'witte port' dan aan 'witte haven', allebei een juiste vertaling. Ik wil het dorp waarin het zich niet afspeelt niet Sines noemen, omdat ik historische gebeurtenissen wil verschuiven. Wat ik meemaakte in 1998 gaat naar 1994. Ook de olieramp van 1989. Misschien kan ik het omdopen tot Cynes, de oude spelling. 'Cynisch in Cynes'. Ik kan het natuurlijk ook ongenoemd laten. Het feit dat Vasco da Gama hier geboren is (ik weet dat het niet bewezen is, maar hier geloven ze er vast in), is ook leuk voor het verhaal. Het feit dat de Hell's Angels een rol spelen is ook een overweging, al is dat alleen maar als dreiging op de achtergrond. De aspirant-Hell's Angel die we daar toen troffen waarschuwde me dat ik nooit over het gebeurde mocht schrijven. Ik denk dat ik dat toch kan zonder dat het risico's voor iemand hoeft op te leveren. Tommy schreef me dat hij hoopte in mei zijn derde roman, die bij De Geus zal verschijnen, in één machtige zwaai op papier te zetten. Zoiets hoop ik dan maar voor juni, juli en augustus.
Groet,
Jack
Woensdag 28 april 1999
Tommy Wieringa
UTRECHT
Sines, 28 april 1999
Beste Tommy,
'Schrijf je veel, daar in Sines?' vraag je me. Het antwoord is 'ja' en 'nee'. Ik schrijf er erg veel, een woord of 2.000 per dag, aan brieven en dagboekaantekeningen. Aan mijn boek heb ik nagenoeg nog niets gedaan.
Vorige week had ik een vlaag van werkzucht. Ik had beloofd een stuk voor de plaatselijke krant te schrijven en zoals gebruikelijk heb ik dat drie dagen na de afgesproken deadline ingeleverd, al was die twee weken eerder vastgesteld. In de tussentijd heb ik tamelijk veel aan mijn boek geschreven en tegelijk ben ik, op zijn sterfdag 19 april begonnen aan een novelle over mijn vader. Dat is altijd een vreemd verschijnsel, dat je alleen maar harder gaat werken van hard werken. Terwijl ik in ironische bewoordingen mijn mening over Sines probeer te geven en de juiste woorden bij de juiste beelden probeer te verzinnen, springen er allerlei andere dingen in me omhoog. Ineens zie je verbanden, ineens vloeien er zinnen, ineens zie je de personages in al hun kleinheid en grootheid voor je.
Dat is allemaal verdwenen met het vastlopen van de harde schijf van mijn PowerBook. H. vond altijd al dat ik over mijn vader moest gaan schrijven, omdat ze dubbel lag om de verhalen die ik over hem vertelde. Ik heb het heel vaak geprobeerd, net zoals ik al vaak geprobeerd heb over mijn moeder te schrijven (de titel heb ik al: De sansevieria's bloeien – sansevieria's bloeien altijd vlak voor ze doodgaan), maar ik kon het niet. Die afgelopen 19 april ben ik begonnen en de woorden stroomden.
Dat is allemaal weg. Ik ben niet zo'n man van voorbestemming en betekenisvolle gebeurtenissen, maar je zou het wel worden. Misschien na dit boek.
Ik had ook gehoopt het tweede boek in één machtige zwaai op papier te zetten, maar dat zit er niet. Het verhaal Op kamers uit Uitgestudeerd heb ik in één koortsachtige sessie geschreven, van tien uur 's ochtends tot tien uur 's avonds, alleen onderbroken door het avondmaal waarvoor ik geroepen werd door mijn toenmalige Hongaarse gastheren. Tijdens het eten zat ik te trillen van de zenuwen uit angst dat mijn inspiratie weg zou zijn. Niet. Daarna heb ik het ik nog een keer overgeschreven. Alle 10.500 woorden. Met vulpen. Op kringlooppapier. En op vrijdagavond meegegeven met de bus terug naar Nederland. Voor het in 1989 in de Volkskrant verscheen heb ik het nog een keer herschreven op de redactie van de Volkskrant, waarna Ben Rogmans het nog een keer geredigeerd heeft. Zo'n writing frenzy is me daarna nooit meer overkomen.
Geen enkele roman is één keer goed opgeschreven, dat weiger ik aan te nemen. En elke schrijver die anders beweert is als dat nare jongetje bij je in de klas dat met een negen voor zijn proefwerk naar huis ging en schouderophalend zei: 'En ik heb er niets aan gedaan.'
Het is ook een beetje een fictie, dat naar het buitenland gaan. Een werkkamer met gecapitonneerde deuren moet genoeg zijn. Alleen een bureau, muziek (geen radio), schrijfgereedschap en verder niets. Maar het is wel een leuke fictie. Ondertussen zuig ik wel als een spons alle indrukken op. Ik geloof erg in 'er geweest zijn'. Ik praat met redelijk veel mensen. Zeker voor mijn doen, want ik heb, in tegenstelling tot jij, een nadrukkelijke 'non toccare'-uitstraling. Ik leg niet zo snel contact. In Utrecht al niet, laat staan in een ander land. Ik zou het best willen, maar ik kan het niet. Mijn genantste situaties waren die waarbij ik zelf het initiatief tot contact leggen nam.
Misschien komt het ook door mijn ervaringen in het buitenland. Waar je ook komt, waar je ook bent, overal kom je die doorleefde koppen van reizigers tegen, die meteen vriendschappelijke banden met iedereen aanknopen, die meer nemen dan de vinger die je ze aanbiedt. Dat is niet omdat ze geïnteresseerd zijn in andere culturen of de sociale verhoudingen in een ander land, maar omdat ze onmiddellijk een poot aan de grond willen hebben om zich te kunnen handhaven. Het is geen interesse, maar puur egoïsme. Als ze weg zijn, met achterlating van vettige vuilranden in je douche, lege keukenkastjes, een adres en wat beloftes, zit je jezelf hardnekkig voor te houden dat je iets onmisbaars in je leven hebt meegemaakt, terwijl je eigenlijk weet dat je gewoon genaaid bent. Daarom laat ik het initiatief altijd van een ander komen.
Misschien had ik ook beter een quarto bij mensen thuis kunnen huren. Onmiddellijk moet ik aan Humbert Humbert denken, gezien het hoge Lolita-gehalte van de Portugese meisjes.
Dus ga, maar of het iets oplevert ligt niet aan het buitenland, maar aan jezelf.
Maar jongen toch, jij hebt ook een interessant leven daar in Utrecht. Een boekenkast gekocht! Je gaat ook geen uitdaging uit de weg. Is het iets antiekerigs of had Eureka van die moderne dingen in huis? Ik wou dat ik eindelijk eens wat groter kon gaan wonen, zodat ik ook eens echt meubilair in mijn huis kon zetten. Liefst allemaal uit de jaren twintig en dertig. Ik kom wel eens bij mensen over de vloer die best aardig verdienen (100.000+), een best aardig huis heb gekocht (750.000+) en die alles hebben ingericht met dingen waarvan je kunt zien dat ze veel geld hebben gekost. En verder verschrikkelijk lelijk zijn.
Dan heb jij het beter aangepakt, bij jou kun je tenminste zien dat het niets gekost heeft.
Voor ik ga slapen neem ik er altijd nog een in het café beneden. Dat is alsof je in de Bastaard woont. Het laatste jaar zat ik daar bijna zes dagen per week, maar ik heb het excuus dat ik zo klein woon dat ik gek word van het binnen zitten. Een groter huis zou me zeer wel uitkomen. Op een gegeven moment ga je naar de Bastaard uit verveling, omdat je anders ook niet weet wat je moet doen en voor je weet investeer je vijfhonderd piek per maand in de opvoeding van dochters en zoon van Arnold. Toen er eens op een dinsdagavond twee jongens binnenliepen met mijn roman en het verzoek die te signeren, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat je kon aannemen dat ik er op dinsdagavond zou zitten, toen ging ik me zorgen maken. Ach ja, missen jullie me maar. Ik mis jullie nog steeds maar niet, terwijl ik onderhand toch al een maand of twee weg ben. Dat komt ook omdat Sines een beetje thuis is geworden. Ik heb hier zo vaak rondjes door de straten gelopen, zo vaak aan het strand gezeten, in nagenoeg elk restaurant gegeten &emdash; ik kan bijna geblinddoekt naar huis lopen. Ik ben ook niet zo'n avonturier, al ben ik veel op weg. Ik maak overal bekende plekjes waar ik naar terug kan keren. Dat heb ik van mijn vader, die als achttienjarige door de Arbeitseinsatz naar Frickenhausen onder Stuttgart werd gestuurd. Hij heeft daar de oorlog uitgezeten, achter een draaibank, onderdelen maken voor de Duitse oorlogsmachinerie. In 1945 is hij in drie weken teruggelopen door een kapotgeschoten Duitsland en daarna is hij zijn hele leven teruggekeerd naar die plek. Waar we ook heen gingen op vakantie, we stopten altijd in Frickenhausen, en bezochten de familie waar hij in de oorlog veel kwam. Deprimerend was dat, maar hij kon niet zonder. Toen ik met H. in 1996 naar de Algarve reed vroeg ze of we weer naar Sines moesten. Ze haalde duidelijk opgelucht adem toen ik 'nee' zei. Maar spijtig vond ik het wel. Ik ben overigens in 1997 in mijn eentje naar Frickenhausen geweest, ongeveer met hetzelfde doel als nu: nadenken. Ik heb het verblijf voortijdig moeten afbreken wegens kapotte remmen. Ik ga wel weer een keer terug. Ik ga altijd terug. Aan de Donau zitten in Budapest. Ontbijten in Tom's Diner in New York. Slapen in Hotel du Brabant in Parijs.
En zo zal ik begin juni weer op mijn fiets stappen en naar de Bastaard rijden. Laten we dat afspreken: donderdag 10 juni om 11 uur in de Bastaard. Ik ben die vent met die bruine kop.
Groet,
Jack
Donderdag 29 april 1999
Vandaag mijn e-mails nog eens gecontroleerd. Een lange van Joost Zwagerman, die moet ik beantwoorden als ik weer kan downloaden. Het is de dag voor Koninginnedag in Utrecht, het zal wel weer druk zijn met sukkels die op stoeltjes hun plekje vrijhouden, de hele nacht. Ik heb het nog maar drie keer gemist, al is het de laatste jaren niet echt leuk meer. Gisteren weer te lang aan de bar gezeten.
Ronald Giphart
UTRECHT
Sines, 29 april 1999
Beste Ronald,
Om met je PS te beginnen: Nee, ik neuk niet wel genoeg. Nu vraag ik me af of je ooit 'genoeg' kunt neuken. Hoeveel is 'genoeg' neuken? Is dat drie keer per maand neuken, het Nederlands gemiddelde? Is dat drie keer per week neuken, mijn gemiddelde als ik een vriendin heb? Is dat drie keer per dag neuken, mijn vakantiegemiddelde? Is dat zeven keer op een dag neuken, mijn record? En is dat dan met telkens dezelfde vrouw neuken, of telkens met een ander neuken?
Ik vraag het me eigenlijk niet af of dat bestaat, 'genoeg' neuken, ik wéét dat dat gelukkig niet bestaat, want het typische van de bevrediging is dat het alleen maar de behoefte aan meer bevrediging oproept. Na je eerste orgasme hang je. Neuken is je dorst proberen te lessen met zeewater. Ik heb eens proberen uit te rekenen hoeveel uur je in je leven klaarkomt. Bij een gemiddelde van drie keer neuken per week kun je nog altijd zeven orgasmes van het masturberen optellen, dat maakt dan 520 orgasmes per jaar. Laat een orgasme vijf seconden duren gemiddeld, dan kom je uit op 2600 seconden per jaar. Dat is afgerond drie kwartier per jaar. Stel dat je veertig jaar van je leven actief neukt, dan kom je uit op dertig uur aan orgasmes per leven. Ik besteed in een máánd meer tijd aan eten dan aan klaarkomen. Meer aan internet dan aan klaarkomen. Meer aan in de Bastaard zitten dan aan klaarkomen. Meer aan neuken denken dan aan klaarkomen. Geen wonder dat je maar blijft doorneuken.
Als je 'genoeg' kon neuken, dan zou het op een gegeven moment over en op zijn. Zo. Genoeg geneukt. Je moet er toch niet aan denken dat je nooit meer wilt neuken. Terwijl neuken eigenlijk zo'n zinloos tijdverdrijf is. Het levert niets op. Neuken maakt integendeel meer kapot dan je lief is. En toch wil je altijd maar neuken. En het is nooit genoeg. En neuken kost heel veel tijd, vooral als je er iemand van wilt overtuigen dat die met jou moet neuken (ja ja ja, ik weet dat mensen ook wel eens spontaan met je willen neuken, dat is mij ook wel eens overkomen). Neuken met je vaste partner kost trouwens ook veel tijd. Neuken geeft zo'n rommel. En toch maar door blijven neuken.
Dus wat dat betreft neuk ik precies genoeg: namelijk helemaal niet. Dan hou ik alle tijd over om te schrijven.
Fijn dat je je kostelijk vermaakt met mijn Portugese Dagboek. Ik ook. Ik hoef geen e-mails omdat dat te duur is, maar omdat het te ingewikkeld is. Ik heb maar één keer per week de tijd ze te lezen en dan duurt het weer een week voor ik kan antwoorden. De post gaat sneller.
Fijn ook dat je overigens even citeert wat je in Oor heb gezegd, of in ieder geval wat ze opgeschreven hebben. Het is allemaal minder erg dan wat ik doorgekregen heb. Het is niet alleen wat de journalist ervan maakt, het is ook wat de lezers ervan maken en voor je het weet gaat er een verhaal rondzingen dat niets meer met het oorspronkelijke verhaal uit te staan heeft.
Je mag van mij zeggen wat je wilt over Utrechtse schrijvers. Vanaf het begin afaan heb je aangekondigd je eigen stroming te beginnen en daar heb je je aan gehouden. Verder kun je niet ontkennen dat er veel schrijvers in Utrecht wonen die leuk aan de weg timmeren. Singel singel schrijfmasjien kwam voort uit een subsidieaanvraag die ik bij de gemeente heb ingediend. Ik kreeg alleen tienduizend piek als ik ze niet aan een reis maar aan een festival besteedde. Dat werd een festival om Nederland duidelijk te maken dat Utrecht groter is dan Ronald Giphart en Manon Uphoff (met alle respect). We zijn er zelf allemaal van geschrokken wat een media-aandacht we kregen, inclusief de rellerige manier waarop ze jouw afwezigheid probeerden te interpreteren. Het grappige was dat in nagenoeg elk interview iedereen zei zich geen groepslid te voelen. (Tja, en jij hebt meegemaakt dat het Generatie Nix-label opeens een totaal verkeerde interpretatie kreeg, waardoor het zich meer tegen de schrijvers keerde dan hen omschreef.)
Wat ook tamelijk komisch bleek was de manier waarop we geportretteerd werden. Ik ben dan misschien de enige schrijver die eruit ziet als een schrijver (dan deugt het stereotype trouwens niet), Tommy is de enige schrijver die praat en zich gedráágt als een schrijver. Ik was ook blij dat hij de meeste aandacht kreeg in Van Gewest Tot Gewest. Ik heb voor de camera alleen maar incoherente zinnen zitten opboeren. Ronduit hilarisch was de foto in HP/De Tijd, waarop we samenklittend in een duister hoekje zitten met kaarsen op tafel. Dat ziet er heel literair uit, maar er staan geen kaarsen op tafel in De Bastaard en we hangen altijd aan de bar, en de kans om meer dan twee schrijvers tegelijk te treffen is uiterst klein. Achterin zitten in De Bastaard is een beetje als op de Apenrots hangen in de Woolloomoolloo. In een oude VN las ik een advertentie van een bedrijf, in de vorm van een verhaal van Leon de Winter. Daarin schreef hij dat hij gemerkt had dat mensen wíllen dat je je als een schrijver gedraagt. En anders dwingen ze je er wel toe. Al die keren dat ik gefilmd ben terwijl ik zogenaamd zit te schrijven. Al die foto's waarbij ik de Harry Mulisch-pose moest aannemen: hoofd in je hand, peinzende blik. Volgens mij heb jij daar vast weer zo'n Rupert Sheldrake-achtige verklaring voor, iets met morfogenetische velden.
Ik zeg maar één ding: het Heissenberg-principe. Basis voor mijn tweede roman.
Dat 'Bastaard'-groep heb ik trouwens verzonnen als alternatief voor 'Utrecht Maffia'. Daar krijg ik vast nog spijt van. Netzoals Arnold, nu er al mensen zijn die expres niet naar De Bastaard gaan vanwege de schrijvers (die er vijf van de zeven dagen niet zijn).
Overigens, toen ik hoorde dat je niet zou worden uitgenodigd voor de tweede editie van Singel singel schrijfmasjien ben ik onmiddellijk uit de organisatie gestapt.
Ik heb de bundel Onderweg ben je nergens hier naast me liggen. Het boekje ziet er inderdaad zeer fraai uit voor dat weinige geld (drie witbier). Ik vind overigens onze bijdragen het leukst, het minst een toeristisch verslag. Ik heb veel goede reacties gekregen op de samenwerking, ik moet de complimenten overbrengen. Ik kan beter fotograferen dan W.F. Hermans en zeker dan Thom Hoffman, dus misschien moeten we Ruud nog eens lief aankijken en vragen of hij ons samen op reis wil sturen. Wat dacht je ervan? Dinosaurushuid zoeken in Patagonië? Meteorieten opgraven in Lapland?
Ja, ik kom terug, maar de kans bestaat dat ik hier voor langere tijd ga wonen. Dan wel in Lissabon. Als je je afvraagt waarom je buurman liever in Nederland woont dan in Portugal, dan weet ik wel een paar antwoorden. Een bejaardentehuis is hier nog een bejaardengestícht, met een metershoog hek eromheen. Als je in het weekend ziek bent moet je naar de brandweer, alleen voor kinderen worden huisbezoeken afgelegd. Gas, licht, water zijn peperduur en vallen regelmatig uit. Het modale gezinssalaris (man en vrouw opgeteld) is veertienhonderd gulden. Als je niet op de juiste hebt gestemd krijg je niets voor elkaar. Dan wil je voortaan je aardappeltjes wel in Nederland koken.
Noteer mij maar voor die studentenliteratuurtheateravond in Utrecht op 11 augustus. Als ik dan toch Zwagerman moet vervangen, mag ik dan ook zijn Armanipak aan? Ik laat de salarisonderhandelingen aan jou over, dat is je wel toevertrouwd. Ik zal je even vertellen dat ik vorig jaar na aftrek van alle kosten in totaal ƒ 1.967,– heb verdiend, dus je moet niet zeuren over de verkoop van je nieuwe boek. Er zijn altijd mensen die het slechter hebben.
Dat 'biertje of honderd' staat. Ik ben donderdagavond 10 juni na 11 uur in De Bastaard. Mits mijn auto het niet alweer begeeft.
Ik zie je,
Jack
Vrijdag 30 april 1999
Daniëlle Serdijn
UTRECHT
Sines, Vrijdag 30 april 1999
Gewaardeerde mevrouw Goossens,
Zoals ik eerder deze week aan je buurman een paar deuren verder schreef duren de orgasmes die we ons hele leven mogen meemaken bij elkaar opgeteld gemiddeld korter dan dan de tijd die we in een máánd aan eten besteden: dertig uur. Het eten is voor mij ook een van de hoogtepunten van de dag, vooral nu het de laatste twee, drie weken voornamelijk bewolkt en koud is geweest en ik opgesloten zit op mijn werkcel met drie vierkante meter vrije bewegingsruimte en een bed waar bijtende spinnen in zitten. Het is in ieder geval weer iets anders dan vlooien of wantsen.
Maar die twee drie maanden dat het aan de Atlantische kust is uit te houden was amper genoeg om er vet van te worden. Eind jaren zestig besloot het fascistische regime van Caetano dat Portugal een grote haven moest krijgen. De omschrijving was letterlijk: Klein Rotterdam. Groot Rotterdam zou het noorden van Europa blijven bedienen, Klein Rotterdam zou alle goederen voor Zuid-Europa overslaan. Er waren twee plekken in Portugal die geschikt waren. Het werd Sines, waarschijnlijk omdat er niemand uit Sines in de regering zat die de benodigde vernietigingen kon tegenhouden (zoals in Utrecht het grote aantal gemeenteraadsleden op de zuidelijke Oudegracht de uitbreiding van de horeca richting Tolsteeg heeft kunnen tegenhouden).

Gedurende vijftien jaar werd er bij het leven gebouwd. Petrochemische industrie. Een kolengestookte elektriciteitscentrale, twee olieraffinaderijen. Gedurende vijftien jaar werkten honderden, soms duizenden contractarbeiders in en om Sines.
De Portugese lunch is fameus. Van twee tot vier valt al het werk stil en gaat iedereen warm eten. Wie thuis woont grillt sardientjes op de hibachi naast de deur. De rest gaat in een restaurant eten. Nog steeds kun je nu in wegrestaurants op het lunchuur voor 800$00, nog geen negen gulden, een compleet menu krijgen. Brood, wijn, dagschotel, koffie. De restaurants in Sines puilden uit. Mensen gingen boven wonen en maakten van hun woonkamer een restaurant, ze parkeerden hun brommer buiten en maakten van de schuur een restaurant.
Zet in Portugal drie huizen bij elkaar en binnen de kortste keren is er een de winkel, een het café en een het pension. Maar in Sines zijn meer dan veertig restaurants, meer dan tien pensions. In Sines is alles anders. Maar ook hetzelfde, de Sineensen zijn Portugezen, gewend om achteruit te kijken en niet vooruit te denken. De industriële complexen zijn af, een raffinaderij heeft niet veel personeel nodig, alleen eens per jaar als binnen een maand tientallen contractarbeiders de boel een onderhoudsbeurt geven. Dus in Sines zijn meer dan veertig restaurants die het grootste deel van de tijd het zonder gasten moeten doen, meer dan tien pensions die grotendeels leeg staan, nu de industriewerkers vertrokken zijn en een landschap hebben achtergelaten waarin niemand nog wil recreëren.
Elf jaar geleden, toen ik hier voor het eerst was, samen met Willem, ging ik nog om zeven uur eten, om te voorkomen dat we in de rij moesten staan, om te voorkomen dat de dagschotel al op was. Toen ik in maart aankwam en het om zeven uur al donker was heb ik mijn rondes langs de verschillende restaurants weer gemaakt. Ik hoefde nergens meer in de rij te staan.
Er zijn restaurants met meer dan honderd zitplaatsen, waar elke dag hoopvol een 'Prato do Dia' hangt aangekondigd, waar geen kip zit. De eigenaar en kok hangen aan de bar en kijken naar het nieuws. Elke dag zijn de tafels keurig gedekt.
In 1988 had ik met Willem een vast restaurant, nadat we de eerste twee, drie weken elke dag ergens anders aten. O Oceano, waar je voor zeven gulden een compleet menu kreeg. Wij noemden het 'Jacobse' omdat de eigenaar ons elke keer probeerde op te lichten. Dachten we. In werkelijkheid kon hij niet rekenen, ontdekten we later. Iederéén controleerde zijn rekening voor te betalen. (Dat is overigens nog steeds niet veranderd. Als ik honderd postzegels van 95$00 koop op het postkantoor wordt er keurig 100 x 95 ingetikt op een rekenmachine. Twee cola? Twee keer 100 onder elkaar, een streep eronder en dan 0, 0, 2: tweehonderd escudo!) Op zondag was Jacobse dicht en gingen we of naar 'Marco', naar 'de krabeters', naar 'de Egyptenaar' (ook wel: 'de Fascist', vanwege de fascistische architectuur van het pand) of naar 'het bange meisje'. En naar een restaurant waar we geen naam voor hadden.
Behalve 'het bange meisje' (waar een bang meisje werkte) zijn ze er allemaal nog. Jacobse is nog steeds de goedkoopste, maar het is er niet te vreten. Het is te smerig voor woorden, dus binnen kortste keren zat ik weer, net als in 1994 in 'A Nau'. Het is zo'n omgebouwde schuur, met een bar over de hele lengte. Ook aan de bar is gedekt, de plekken voor de mismoedige vrijgezellen die daar elke dag (ze zeggen tenminste iedere keer 'Ate amanha' als ze weggaan) komen eten. Ik ben gevoelig voor de klank van het woord 'nau', maar het eten is er het beste van Sines. Flinke porties, gloeiend hete rijst, knapperige frieten, salade erbij, geen meerprijs als je liever gekookte aardappelen wilt en geen gegoochel met bordjes met kaasjes, boter, sardinepasta en olijven als je daar geen prijs op stelt. En wat ook zo prettig is: in de keuken hebben ze het altijd naar hun zin, er klinkt altijd het vrolijke getinkel van vrouwengelach. De eigenaar is een man van weinig woorden. Hij blaft wat commando's naar zijn dochter en doet zelf het lichtere werk: bier tappen, de rekening opmaken. Zij heeft een heel droevig gezicht. Ze zou beter op haar plaats zijn aan de haven, in een storm, handenwringend of de boot met haar man/vader/zoon/ wel terug zal keren. Ik twijfel nog steeds of ze dochter/vriendin/ moeder is. Het is een beetje een ouwelijk meisje, met een constant verstopte neus.
Het menu wordt elke dag getypt, met drie doorslagen. Soms is elke dag het menu hetzelfde, op de soep na. Dan wordt het toch helemaal opnieuw uitgetypt. Andere soep, andere datum. De typemachine staat onder de bar.
Ik heb zo ongeveer alles geprobeerd van de kaart, behalve de gebakken lever en de bacalhau. Bacalhau is gewoon goor. Bitoque, frango na brasa, frango no forno, lombo do porco, costeletas, arroz de pato, carne de porco a Alentejana, bifinos com cogelumos, febras de porco, bife de vitela (ik denk dat er een verklarende woordenlijst achterin mijn boek zal moeten). Allemaal even zwaar gekruid en in de knoflook gewenteld. Ik loop dan ook al weken te ruften als een gasfabriek, maar dat is een andere brief.
Naast A Nau, dat op zondag dicht is, staat O Coq. Omdat de eigenaar vloeiend Frans spreekt zitten er veel Fransen. Ook hier doet de dochter het meeste werk. Ze spreekt vloeiend Frans en Engels, zodat ik nu iets beter weet welk deel van het beest ik nu eet. Haar broertje is een gekske. Hij zit aan tafel en draait krullen in de papieren tafelkleedjes en kijkt me de hele tijd wetend aan. Dat maakt onrustig. Af en toe doet hij wat in de keuken. Servetjes opvouwen, dingen dragen. Als hij degene maar niet is die het zout over het eten doet, want het eten is er zo zout dat ik een uur later achter elkaar een fles bier wegsla om de dorst te lessen. O Coq is minder kantine-achtig dan A Nau, maar het eten moet het afleggen. Behalve de Carne de Porco a Alentejano, die in enorme porties wordt opgediend en niets eens zo zout.
Verder eet ik wel eens bij de Adega de Sines, o.b.a. de Egyptenaar. Het is een churrasquiera, een grillrestaurant, het oudste van Sines. Je kunt er alleen kip krijgen (frango) of speenvarken (leitão) en je moet er geen bezwaar tegen hebben dat je aanschuift, aan marmeren tafels. Zo licht denken de mensen daar niet over, geloof ik, want er wordt voornamelijk afgehaald. De kip is inderdaad smakelijk, maar wordt op een klef laagje kouwe slappe frieten opgediend. Salade hebben ze niet en je wordt bediend door een van smoezeligste vrouwen die ik ook gezien heb. Ze heeft een enorme zweetwalm om zich heen hangen, een grauw gezicht en vies plakkerig haar met grijze plukken die uit haar slordige pony steken. Genoeg om je eetlust te bederven. Het vreemde is dat ze een prachtig dochtertje heeft, dat altijd heel lief 'Ola!' zegt als ik haar op straat tegenkom. Als ze me konden garanderen dat ik zulke dochters kreeg, werd ik meteen vader. Als ze me dan maar ook kunnen garanderen dat ze niet op zo'n moeder gaan lijken, later.
Op zondag ga ik traditioneel in Fredemar eten, maar daarvan houdt de keuken ook niet over. Maar ja, een traditie is een traditie. Meestal ben ik ook de enige eter. Elizabet, het meisje van de bediening babbelt de oren van mijn hoofd en het valt nog mee dat ze niet in mijn neus knijpt. Op zondag neem ik meestal wel de olijven en de sardinepasta en het grauwe brood. De olijven smaken bij Fredemar alsof Elizabet eroverheen gepist heeft. Dan heeft het nog wat. Mijn traumatische ervaring met het halve konijn heb je waarschijnlijk al gelezen.
De Rough Guide raadt je aan om te ontbijten in een pastelaria, maar ik loop elke ochtend naar de markthal en koop een pepino (smaakt ongeveer als een Nederlandse komkommer) een tomaat (smaakt ongeveer als een Nederlandse tomaat), zes broodjes (smaken ongeveer als Nederlandse broodjes) en wat gebutst, maar onverbiddellijk zoet ruikend fruit. (Dat brood verkopen ze op de raarste plaatsen en als je niet weet dat het meestal in een kist zit, loop je er in de winkel aan voorbij. Ook prettig hier: om half vier is weer voop vers brood.) Daarna eet ik op mijn kamer vier broodjes met gezouten boter, weggespoeld met water en een eetlepel zemelen voor de vezels. Voor alle zekerheid slik elke dag extra vitaminen en neem ik mijn dagelijkse dosis Ginseng. Als de post een beetje op tijd is ga ik dan met brieven of anders met een boek naar Velha d'Ouro voor een galão die ik buiten in de zon opdrink. Als het mooi weer is beleg ik om half vijf de laatste twee broodjes met kaas en tomaat of pepino. In een tasje neem ik dan een stapeltje fotokopieën van The Ants mee, een flesje water, mijn Walkman en een blikje cola en dan eet ik aan zee en werk daar tot zeven uur. Daarna ga ik naar huis, lees nog wat en ga ergens tussen acht en negen eten.
Ergens tussendoor schrijf ik ook nog, trouwens.
Hoewel Sines niet de mooiste plek van Portugal is heeft het wel, dankzij de lelijke industrie en havens met al zijn golfbrekers, een zeer kalm strand dat ideaal is voor kleine kinderen. Noem mijn naam bij Fredemar en je krijgt korting op een kamer.
Liefs,
Jack
Zaterdag 1 mei 1999
Vroeg opgestaan om naar Milfontes te rijden om mijn Zip te halen. Robert Sikkes, mijn koerier, had verteld dat ze naar een 1 mei-viering gingen, dus dat ik wel op tijd moest komen. Toen ik om 10 uur belde lag de boel nog in bed, gelukkig. Hoe links ik ook ben geworden, mijn ouders hebben me opgevoed met een afkeer van alles wat PvdA is. Ik kan er niet op stemmen, ik kan het gewoon niet. Bij 1 mei-viering krijg ik ook een ongemakkelijk gevoel. Mijn vader werkte 12 uur per dag en als hij door zijn rug ging verdiende hij niets. Hij werkte harder dan de overbuurman die in de ziektewet zat en ondertussen in de boomkwekerij zwart bijverdiende. Dat is voor mij nog steeds de PvdA.
Toen ik bij Robert. en zijn vrouw zat begon het keihard te regenen. In de tussentijd een beetje bijgepraat over de onvermijdelijke onderwerpen, zoals de huizensituatie in Utrecht, wonen in Portugal en literatuur. Op de weg heen had ik de toeristische route, via Porto Covo, gevolgd. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik iets gruwelijks: de skyline van Sines. Door langhangende bewolking leek het alsof er een enorme rookpluim uit de schoorstenen kwam. Heel bedreigend en natuurlijk had ik godverdegodver mijn camera thuis laten liggen.

Daarna popelend naar huis gereden, maar toch een rondje gemaakt door Milfontes en op de weg terug kwam ik inderdaad de man tegen die Antonio zou kunnen zijn. Ik ben gestopt en ben gekeerd, maar ik zag hem niet meer. Weer gekeerd en toen zag ik dat hij achter de bosjes zat te schijten. Dat leek me geen goed moment.
Thuis aan de slag gegaan en alleen onderbroken door een afhaalpizza heb ik tot half vier zitten werken om een opstartschijf te componeren uit de acht Zipschijven die ik bij me heb. Half vier 's nachts. Dat moest via diskette en RAM-schijf gaan. Stof voor een stukje voor MacFan. Overigens blokkeerde de kapotte harde schijf nog steeds het opstarten. Waarom ik er wel aan gedacht heb de juiste speciale schroevendraaier mee te nemen, weet ik ook niet. Overigens zat de PowerBook buiten haren en broodkruimels ook vol met dode beestjes. (Daar komt de term 'bug' ook letterlijk vandaan.) Dus die HD eruitgehaald en nu werk ik weer, zij het een stukkie langzamer dan eerst. En het is ook heel verstandig dat ik een kopie van de opstart-Zip ga maken, want ik hoorde hem al een raar geluid maken. Als er iets met deze schijven gebeurt ben ik de lul want daarop staan alle bestanden die ik heb. Als ze kapot gaan ben ik alles kwijt dat ik ooit op schijf heb gezet. Maar ik hou van gevaarlijk leven, anders had ik wel wat vaker een back-up gemaakt.
Ja, ik hoor de mensen al zeggen: 'Koop toch een pc.'
Zondag 2 mei 1999
Vandaag vakantie genomen en naar Milfontes gereden, in de hoop die eventuele Antonio te zien. Ik reed het dorp nog niet binnen of daar liep hij al. Ik heb de auto een kilometer verderop geparkeerd en heb gewacht tot hij voorbij kwam. Ik heb hem een tijdje nagekeken en hem toen weer voorbijgereden. Zoals Thijs al zei, hij liep overal binnen om wat te bietsen. Het was best hilarisch zoals ik hem de hele tijd achtervolgde, inclusief kwijtraken in kronkelstraatjes, alsof hij me probeerde af te schudden en dan zowat tegen hem opbotsen. Ik heb hem twee keer in zijn gezicht gekeken, maar ik denk niet dat hij het is. Dat is op zich niet erg, ik hem nu al weer wat opgestoken door hem alleen maar te bekijken. Ik moet een volgende keer met een pakje sigaretten rondlopen zodat hij een sigaret komt bietsen en dan kan ik met hem aan de praat raken.
In Milfontes zag ik eindelijk Absinto, La Fée Verte.
Zeer onsmakelijk gegeten in Fredemar en daarna verder gekloot aan de computer. Tegen twaalven naar beneden gegaan en een beetje geouwehoerd met Harry.
De avond kreeg een rare wending toen Harry me Fredemar te koop aanbood, voor 100.000.000$00. Honderdmiljoen escudo, dat is 1,14 miljoen gulden. Er zijn deze week drie gasten.
Ik heb gezegd dat ik er een paar jaar over wil nadenken.
Omdat in Milfontes het enige bordeel in de wijde omtrek zit, denkt Harry er het zijne van dat ik zo vaak die kant opgaat, maar eigenlijk vindt hij me alleen maar een gezonde vent, denk ik. Ik weet niet wat hij zou denken als ik hem vertelde dat ik naar Milfontes ga om een gek te achtervolgen.