maandag 12 april

Gisteren gebeurde er iets vreemds. Ik zat aan tafel in het restaurant van F., tv schetterend, met om tien voor half tien Os Patinhos, een animatiefilmpje met op Fokke en Sukke lijkende eendjes en kanaries die aangeven dat het kinderbedtijd is, en opeens stroomde er een enorme levensvreugde door me heen. Ik schaterde om Contra-Informação, de Portugese Spitting Image, waarin ze deze keer Os Patinhos parodieerden en nam nog een slok van mijn wijn. Ik had het ongelofelijk naar mijn zin. Dat was best vreemd, omdat ik er over het algemeen weinig aan vind, aan leven. Misschien zijn het toch mijn Iberische genen die al sinds de Tachtigjarige oorlog door de bloedlijnen van de Verhaerens en Nouwsen heenwandelen om bij mij boven te komen. Ik val hier niet op. Ik kan goed tegen de warmte en aan die 'A manha'-mentaliteit wen ik ook nog wel een keer. Draai 'Laat me' van Ramses Shaffy en je weet wat ik bedoel.
Het eindigde ermee dat ik flink bezopen ben geraakt. Een kannetje huiswijn, tot de rand gevuld en vier glazen port. Ik heb me weer flink zitten aanstellen geloof ik, maar alleen Harry en Pessoa waren erbij. Ik heb konijn gegeten. Coelho. Ik had geen flauw idee wat het was en vertrouwde het eerst niet, al was het lekker. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik door een Portugees met gevoel voor humor een bord koeienmaag voor mijn neus heb staan. Het was een stoofpotje en na het derde botje had ik besloten dat het konijn was. Dat werd op een gegeven moment bevestigd. Toen ik op iets hards kauwde bleek dat een tand te zijn. Als je hier een half konijn krijgt dan krijg je ook een half konijn. Ik had dus een halve konijnenkop in mijn mond gehad, inclusief hersenen, tong en oog. Want toen ik een andere homp vlees omdraaide zag ik een perfecte anatomische doorsnede van een konijnenkop. Ik heb me vermand en doorgegeten.

Daarna aan de bar naar een Golden Globe Uitreiking zitten kijken, waarin iedereen bekroond werd die bekroond kon worden. Beste groep, beste zanger, beste presentator, beste fotomodel, beste taxichauffeur, beste schoenpoetser, weet ik veel. Na twaalven lette ik alleen maar op de presentatrice die na elk reclameblok een bloter jurkje aanhad, terwijl ondertussen Harry en Pessoa zich zaten te verlustigen aan Julia Samuël, die in de Telegraaf stond. Ik moet toch maar een Nederlandse Playboy voor ze opsnorren.
Het was allemaal weer heel platvloers en stompzinnig. Pessoa maakt af en toe ook grappen, maar ik versta hem niet en dan moet Harry dat weer vertalen en dan is de lol er weer vanaf.
Ik had geen witte port moeten drinken na de rode huiswijn. Toen ik er op een gegeven moment genoeg van had ben ik in bed gaan liggen en toen voelde ik het al: achteruit de achtbaan in. Kotsen is genoeg om dat te laten ophouden. Maar ik durfde niet, uit angst dat er dan tanden of hersenen in mijn wasbak zouden liggen. Dat was afzien. Een gulp zoete port weer naar beneden moeten slikken. Port is ook niets om je mee te bezatten, dat is zonde...

Vanochtend hele erge pijn in mijn linkerschouder.
Er was post voor me, een envelop met briefjes en tekeningen van de mijn nichtje Van de Beek. En een foto. Ik was ontroerd toen Terry schreef dat het hele erge indruk op de meiden had gemaakt toen ze hoorden dat H. en ik uit elkaar waren. De reacties waren typisch leeftijdsgebonden. De jongste vroeg zich af waar H. nu moest wonen (voor haar wonen ooms en tantes natuurlijk altijd in één huis) en de middelste besefte dat zoiets haar ouders ook kon overkomen.
Ik ben meteen naar het strand gegaan om schelpen en steentjes voor ze te zoeken. Daarna heb ik bij de Intermarché wat lollige dingen voor ze gekocht, zodat er een pakje naar ze toe kan. En ik heb een tekening voor de jongste gemaakt, want die kan nog niet lezen.

Ik was van plan naar de redactie van de lokale krant
Notícias de Sines te gaan en heb eerst nog een kop koffie gedronken bij Harry, en toen zag ik de rosse voorbijkomen, die ik al een paar keer vanuit de verte gezien heb. Ik ben haar deze keer achternagelopen. Ze is tamelijk lang voor een Portugese, zeker 1.76, en goedgebouwd. En altijd modieus gekleed, waardoor ze me al met al aan iemand anders doet denken (zo werkt het altijd). Vlak voor ik haar passeerde draaide ze zich om. Ze is niet echt beeldschoon maar gelukkig de twintig al voorbij, volgens mij. Haar zou ik best wel beter willen leren kennen.
Bij de krant trof ik geen journalist, maar wel een van de eigenaren. Ik probeerde uit te leggen wat ik wilde. Het Engels van Carlos was niet erg goed en als hij enthousiast werd ging hij Portugees praten, maar ik ben weer veel te weten gekomen over Sines. Ook niet onbelangrijk. Over de luchtvervuiling, over de stortplaatsen voor chemisch afval, over de verwevenheid van politiek en economie, over de corruptie. Het grappige was dat hij op het eind mij uitnodigde een stuk te gaan schrijven voor de opiniepagina. De mening van een buitenlander over Sines. Ik heb toevallig al een stuk, een idee voor een stuk liggen, en dat kan ik zo mooi uitwerken.
Vlak voor ik wegga wil Carlos nog een stuk over mij schrijven, de Nederlandse schrijver die in het buitenland zit om rustig te kunnen werken enzovoort, maar daar moet ik nog eens over nadenken.
Het was geen verspilde dag, vandaag.
Vandaag ga ik pizza of Chinees eten.

Familie van de Beek-Nouws
DOETINCHEM

Sines, Maandag 12 april 1999


Lieve Meike,

Dankjewel voor je brief. Natuurlijk moest ik een kaartje sturen, want ik ben niet op je verjaardag geweest. Ik ben blij dat jullie aan mij gedacht hebben. Ik heb de foto van jullie drieën boven mijn bureau hangen.
Het is lekker warm hier in Portugal. Als ik straks terugkom in Nederland zal ik helemaal bruin zijn. Nou ja, niet helemaal. Ik zit elke dag op het strand. Dat is maar vijfhonderd meter van mijn pension. Vanuit mijn raam kan ik zelfs de zee zien, maar dan moet ik wel een beetje naar buiten hangen.
De mensen spreken hier Portugees en dat versta ik niet zo goed. En zij verstaan mij niet. Dus ik praat niet veel. Dat is moeilijk. Tante H. zei altijd al dat ik zoveel praat. Dus daarom schrijf ik nu maar veel brieven. Dat is ook een soort praten.
Het eten is ook heel anders hier. Alhoewel: ik eet elke dag frietjes! Dat is heel lekker, maar elke dag frietjes is ook saai. En je krijgt er een dikke kont van. Daarom ga ik vandaag pizza eten, of chinees, dat weet ik nog niet.
Gisteren heb ik coelho gegeten. Dat spreek je uit als 'koe-elhoe' en betekent konijn. Ik vond het heel lekker, tot ik ontdekte dat zijn kop er nog aanzat. En dat zag ik pas toen ik iets hards tussen mijn tanden voelde. Dat bleek een tand van het konijn te zijn. Gadverdamme! Die heb ik snel uitgespuugd en verder maar met mijn ogen dicht gegeten.
Misschien ga ik wel heel lang in Portugal wonen. Dan kunnen jullie met zijn allen bij mij op bezoek komen. Ik eet namelijk elke dag bij de koffie 'um bolo', zo noemen ze hier gebak. Als jullie dan op bezoek zijn eten we elke dag gebak. En frietjes.
Maar konijn hoef je niet eten. Dat vind ik nu zelf eng.

Dag van ome Jack


Lieve Anne,

Als je me nog op tijd een keer terugschrijft met ideeën wat je voor je verjaardag wilt, dan kan ik misschien iets Portugees voor je bedenken. Zal ik alvast wat servies voor je uitzet meebrengen? Want volgens mij ga jij volgend jaar op kamers wonen? Hoe oud wordt je ook alweer? Achttien? Of wat was het ook alweer? Even rekenen. O ja, elf.
Jij bent een mooie. Heb je een mooie tekening voor me gemaakt en dan hou je hem zelf! Weet je wat je doet, maak er een fotokopie van en stuur die naar me op. want wel een tekening van Carlijn en Meike en niet van jou, dat klopt eigenlijk niet.
Voor die mooie foto van de omgeving moet je even wachten. Natuurlijk heb ik een camera bij me. Dus ik kan zoveel laten zien van de omgeving dat je er ziek van wordt. Alleen is de omgeving niet zo mooi. Er staan heel veel fabrieken hier, waar je ook kijkt. Ik ben vanmiddag schelpen en steentjes gaan zoeken voor jullie aan het strand en als ik dan omhoog kijk, zie ik opeens een schoorsteen met vieze rook uit de duinen omhoogsteken.
schoorsteen
Het strand is wel mooi, maar daar hebben ze dan weer twee lelijke havens naast gebouwd. Als je niet oplet geeft het niet. Alle kinderen spelen hier op het strand. En weet je wat ook zo leuk is als je hier woont? Je krijgt gymnastiek op het strand. De meesters en de juffen nemen de kinderen gewoon mee naar buiten en leren ze volleyballen in de zon. Dat is het voordeel van een strand voor de deur.
Ik hoop dat jullie de stenen en schelpen mooi vinden. De mooiste heb ik natuurlijk zelf gehouden. Als jij dat met je tekeningen doet, doe ik dat met schelpen, natuurlijk. Maken jullie geen ruzie met elkaar wie wat krijgt? Ik weet niet wie van jullie stenen of schelpen spaart. Ik heb ook maar één zee-egel gevonden.
Ik heb ook nog wat lekkers meegestuurd voor jullie (suikeramandelen) en jullie ouders (inktvisjes voor bij de wijn). En een pakje hele vieze pudding die ze hier altijd eten.

Nou dag en bedankt voor je brief




Dinsdag 13 april 1999

Een brief van Maarten Bokslag van de Variomatic met het adres van de Dafclub. Ik wil proberen een nieuwe startmotor los te krijgen (ik vind dat ik recht heb op garantie) en die via de ANWB op te sturen, dat bespaart de verzendkosten.
Het pakje versturen naar de nichtjes koste bijna twee tientjes. Dat was even slikken.
Op het terras van Vela d'Ouro zitten werken. Mijn vierendertigste dag in Portugal en het wordt tijd dat ik eens wat ga doen. God, vijf jaar geleden zat ik alweer te rekenen of ik in twee dagen terug kon rijden. En dat is toen gelukt.
Ik heb het nu echt wel naar mijn zin. Ik hoef nog niet terug. Misschien omdat ik me toen in 1994 ingeprent had dat ik eind april terugging. En daarbij ging S. trouwen en ik had dat jaar al twee huwelijken gemist door mijn reislust.
Misschien was de levenslust van zondag het een lichamelijke reactie op mentale knopen die ik heb doorgehakt. Endorfinen die verdoezelen waar je eigenlijk mee bezig bent, het smerige spelletje dat je geest en lichaam voortdurend met je spelen.
Het valt allemaal tamelijk tegen met de post. Zoveel mensen die zeiden dat ze wilden gaan schrijven en mijn adres wilden. Mooi niet. Het eeuwige verhaal. Als ik echt een jaar naar Portugal ga, dan zal mijn sociale leven flink uitdunnen, dat voel ik nu al. Maar zal ik ook echt gaan? Durf ik het aan?
Gisteren heb ik Chinees gegeten, maar het viel weer tegen. Daarna bij Vela d'Ouro geprobeerd voortaan elke week de zaterdagse Volkskrant te bestellen. Ik hoop dat het lukt, want de krantenman deed een beetje moeilijk.




woensdag 14 april

Vandaag was eigenlijk een dag om triest over de zee uit staren, maar er stond een harde wind die vandaag uiteindelijk resulteerde in een dag vol regenbuien. Het is heel menselijk om te denken dat het weer zich aan jou aanpast. Dat de hemelen zich splijten als er iemand gekruisigd wordt, dat de wolken in jouw plaats tranen storten (het beruchte manna uit de bijbel zou een product kunnen zijn van door mieren gehouden bladluizen: alles associeert zich naar mijn tweede roman en dat is een goed teken).
Ik heb gisteren pizza gehaald bij de afhaal-Italiaan bij mij in de straat. Er is ook een echt pizzarestaurant, maar netzoals met de Chinees, ik heb moeite daar binnen te gaan. Ik ga moeiteloos die restaurants in die helemaal ingesteld zijn op de zwijgende beroete werkers in de industrie. Zonder me opgelaten of zielig te vinden kan daar genieten van mijn Superbock en mijn dagschotel van negen gulden en me trakteren op een dikke punt kwarktaart bij de koffie. Maar in je eentje bij de Chinees of in de pizzeria... Dat is een soort feestelijkheid die geen eenzaamheid verdraagt. Bij de Chinees werd ik ook traditioneel in een hoek achter het koffiezetapparaat gezet.
De pizza was overigens heel lekker. Het was de broodnodige afwisseling na de eeuwige lappen vlees met friet. Het eten begint me een beetje de keel uit te hangen


Vrouwkje Tuinman
UTRECHT

Sines, woensdag 14 april 1999


Lieve Vrouwkje,

Ik denk dat de dingen die je voelt typisch vrouwelijk zijn. Als ik mijn brieven aan mijn geliefdes overlees, zie ik dat ik het niet kan laten om onze lichamelijke verenigingen te bezingen, waardoor het lijkt alsof het mij alleen maar om hun kont gaat. Terwijl het mij om het hele totaalpakket gaat, spoilers, cilinderinhoud en acceleratievermogen inbegrepen. Ook de manier waarop je wilt dat een man moet reageren klinkt als het typische man-vrouwcommunicatie-probleem. Als een man problemen op/met zijn werk heeft, wil hij dat er probleemoplossend over gepraat wordt. Je moet dít doen om het te veranderen, je moet díe keuze maken om het op te lossen, enzovoort. Een vrouw wil dat er troostend gezegd wordt, je hebt gelijk, het deugt niet, hoe durven ze, kom laten we een kopje thee drinken en over die klootzak/trut roddelen. Zoiets staat in zo'n
Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus-boekje. Het klinkt allemaal zelfhulperig en Amerikaans, maar ik herkende het punt voor punt in mijn strubbels met H.
Wat het bemoeilijkt is dat ik zelf op de vrouwelijke manier reageer. Als ik ergens van baal wil ik niet de probleemoplossende behandeling, maar de troostende.
Dus misschien is het allemaal niet zo waar.

Bedankt dat je het dagboek geslaagd vindt, de feedback is prettig. Het trekt weinig lezers heb ik gemerkt, maar dat is niet erg. De oefening is goed. Het zorgt ook ervoor dat ik wat meer zorg aan mijn brieven besteed en mijn avonturen minutieus vastleg.
Ik ben nu een stukje aan het schrijven voor de opiniepagina van Notícias de Sines, de plaatselijke (tweewekelijkse) krant. Het is een kruising tussen het UN en het Stadsblad. Ik ging naar de redactie in de hoop dat de journalisten mij wat konden vertellen over het dorp, maar ik trof de eigenaar en na twee uur ouwehoeren (mijn god, wat is dit een corrupt land) vroeg hij of ik als buitenstaander al mijn kritiek wilde spuien. Dat ga ik dus doen, maar voorzichtig.

Toen mijn ouders overleden heb ik me voorgenomen alleen nog maar dingen te doen die ik leuk vind. Daar heb ik me tot nu toe aardig aan weten te houden, maar ik had ook de financiële middelen daarvoor. Die zijn inmiddels aardig geslonken, dus voor mij verandert er binnenkort ook een en ander, als dit boek wederom geen bestseller wordt.

Het Van Doesburghuis wordt nu bewoond door Piet Grijs en vergeleken met hem ben ik een inconnu. En ook een schrijver, en misschien willen ze geen twee schrijvers na elkaar. Er gaat weer een commissie overheen die de beslissing neemt en als ze informatie inwinnen bij het Fonds voor de Letteren hang ik, want volgens het Fonds voor de Letteren kan ik niet schrijven.
Het lijkt me wel leuk. Slechts duizend gulden huur om in een monument te mogen wonen (elke eerste zaterdag van de maand krijgen toeristen een rondleiding), in het buitenland en toch lekker dicht bij huis.
Het pand in Utrecht gaat niet door. Het is van Mitros (voormalig K77 en Het Woningbedrijf, en ook mijn corporatie) en die willen het verkopen. Voorwaarde was dat zoveel mogelijk mensen zouden blijven wonen, zodat Mitros geen vervangende huisvesting hoefde te gaan zoeken. Dat is dus niet gelukt en ze wilden ook geen 'schone grond verklaring' afgeven. Aangezien het pand vorige eeuw een kazerne was, zit er waarschijnlijk een hoop rommel in de bodem. De projectontwikkelaar zag er dus helemaal vanaf. Er komen dus weer negen urgentieverklaringen op straat te staan deze zomer, allemaal op zoek naar een driekamerwoning in het centrum van Utrecht, godverdegodver.
Maar waar ik ook kom te wonen, je mag altijd komen logeren. Ook met je geliefde.

Nou, hoe zit het, ga je me nog het artikel van Admar sturen? Heb je Marge's voor me gehaald? Heb je een Oor voor me gekocht? Ik moet wel een beetje op de hoogte blijven. Laatst heb ik van arremoe een Telegraaf gekocht. Zie ik op de Pop-pagina zomaar de naam Daniëlle Serdijn staan! Wel erg grappig. Op de Pop-pagina!

Iedereen ging me schrijven, iedereen wilde mijn adres, ja leuk, brieven uit het buitenland en netzoals ik me iedere keer weer laat meeslepen door journalisten en redacteuren die klusjes of columns voor me hebben, er komt helemaal niets van terecht. Want brieven schrijven is niet zo simpel, je moet ook echt iets te vertellen hebben en daar zitten ze dan voor dat lege vel papier en ze ontdekken: ze hebben niets te vertellen.
Ze zijn zelf een leeg vel papier.
En dan ben ik heel geheimzinnig gaan doen over mijn werkelijke verblijfplaats, uit angst dat ik overspoeld zou worden met brieven en telefoontjes, maar uiteindelijk zijn het voornamelijk jij en Jiska die regelmatig schrijven. Dat is de staat van het brievenschrijven tegenwoordig.
Ik heb zelf zo'n veertig brieven geschreven (ingetikt) en honderd vel briefpapier erdoorheen gejaagd.
Eigenlijk is het niet erg dat je met nagenoeg niemand meer een correspondentie kunt opzetten, tedere uitzonderingen daargelaten. Elke brief heeft me ongeveer anderhalf uur gekost.

Ik heb mijn verblijf met een week verlengd, voorlopig. Ik ga op mijn gemak terugrijden door Portugal. Op 13 mei ga ik naar de bedevaart van Fatima en op 25 april naar de herdenking van de Anjerrevolutie in Lissabon.
Ik heb nog steeds last van mijn nek. Nu is het enkel nog mijn linkerschouder, maar ik ben vannacht toch een paar keer wakker geworden van de pijn. Leve de paracetamol. Als ik me wat beter voel ga ik eens een fiets huren. Het asfalt is wel goed voor skaten, hier, maar het opdwarrelende stof kan niet goed zijn voor de lagers.
Ik hoorde dat de directeur van het cultureel centrum van Sines aan aids is gestorven. Ik weet ook dat een vriend van mij uit Nederland met hem naar bed is geweest. Moet ik hem dat nu schrijven of niet?

Bedankt voor de notulen van Singel singel schrijfmasjien 2. Dat logo en briefpapier had er natuurlijk allang moeten zijn. Bedrijven benaderen is goed.
Jammer dat Grunberg niet heeft gereageerd. Eventueel moet je hem nog een keer faxen.
Nu is het misschien ook het moment om het UN te vragen of ze alle Utrechtse schrijvers mee willen laten doen aan een feuilleton, of opsluiten in de Domtoren, of in de kluis van Suster Bertken. En natuurlijk Omroep Utrecht nu al inseinen.
Ik ben blij dat ik uit de organisatie ben gestapt, want ik kan niet delegeren en voel me altijd verantwoordelijk voor alles. Dat zie je maar weer. Ik begin me er er nu alweer mee te bemoeien.

Liefs,
Jack




Donderdag 15 april 1999

Vandaag heb ik mijn pagina's weer doorgeseind op het cultureel centrum, en e-mails binnengehaald en verstuurd. Pedro had een vriend op bezoek waarmee we 'aliens'-sites hebben bekijken. Daarna weer interessante gesprekken gehad over besturingssystemen. Die vriend haat Windows in al zijn verschijningsvormen. Hij heeft bij de elektriciteitscentrale gewerkt waar ze met Unix werkten, dus ik had goed nieuws voor hem dat de nieuwste versie van MacOS op Unix is gebaseerd.
Al surfend langs foto's van aliens (ze herkenden onmiddellijk foto's uit films en lieten zien hoe je een fake-film kon herkennen) vertelde de vriend dat er een keer een meteoriet was neergestort op een berg kolen die in brand waren gevlogen. De meteoriet is afgevoerd en nooit meer teruggezien Ook schijnen meerdere mensen in Sines ufo's gezien te hebben, op één bepaalde plek. Ik heb gesmuld van de verhalen, natuurlijk, dat kan ik allemaal gebruiken voor mijn boek.
Gisteren liepen er twee Russen F. binnen en ook dat stemt weer overeen met de plannen en ideeën die ik in mijn hoofd had over de Russische maffia.
Ik heb Pedro gezegd dat ik hem met alles wil helpen dat nodig is. Hij vroeg of ik hem dus ook onderdak zou geven als hij naar Nederland kwam? Natuurlijk.




Vrijdag 16 april 1999

Gisteren lag er een brief van C. in mijn postvakje. Met het bericht dat ze zwanger was. Ze is uitgerekend voor oktober. Dat is slikken. Ik denk altijd met warme gevoelens terug aan mijn ex'en, zelfs aan degenen met wie het contact op onprettige wijze is verbroken (dat is dan meestal de 3 maanden-categorie). Mijn middelbare-schoolvriendinnetje is allang moeder. E., mijn eerste echte relatie ook al weer een jaar of twee. En nu C. Het rare is dat ze alledrie een kind hebben van mijn opvolger. Ik denk er maar niets van, netzoals ik niets denk van de vrouwen die na mij lesbisch zijn geworden. In mijn leven alleen maar toeval en chaos.
Over een maand gaat C. trouwen. Ik heb het recht niet om er iets bij te voelen, maar het gebeurt toch. Het is het doorbijten van het laatste draadje. Omdat ik zelf nu vrijgezel ben voelt het anders.

Ik doe heel weinig. Het mierenboek doorploeteren. Beetje tv kijken. Woensdagavond begon Harry dat er om 11 uur iemand zou bellen. Ik schrok me een ongeluk, maar toen hij zei dat het 'Marie-France' was en met zijn handen begon te wapperen, wist ik genoeg. En lol dat hij had, maar daarna werd hij dichterlijk. Hij ging gedichten voordragen, enzovoort. Ik ben weggelopen.
Ik ben bandjes aan het opnemen met muziek van de radio. Gewoon om later de sfeer weer te kunnen proeven.
Er brandt nu een kaarsje voor Ma op mijn kamer. Vandaag is haar verjaardag. Ze zou 68 zijn geworden, net zo oud als Pa is geworden. Die zou 75 worden in augustus. Zijn sterfdag is maandag.
Over 5 dagen ben ik precies een half jaar 38. Nog anderhalf jaar van de veertig verwijderd.

Vandaag naar Santo André gereden. Niet Sines, maar Santo André had moeten uitgroeien tot een stad van 100.000 inwoners. Je ziet aan de gebouwen dat het in de jaren zeventig en tachtig opgezet is. De nieuwbouw ziet er goddank een stuk beter uit. Een neerslachtig geheel, toch.

Ik hoorde dat vandaag weer iemand heeft gebeld. Vorige week vrijdag ook al. Iemand die zijn naam niet zegt en niet vraagt of ik terugbel. Hij heeft waarschijnlijk de pech dat hij de verkeerde aan de lijn krijgt. Alleen Harry spreekt Frans.

Toch zeer frustrerend en intrigerend wie het is.


Joost Zwagerman
p.a. Vrij Nederland
Amsterdam

Sines, Vrijdag 16 april 1999


Beste Joost,

Laten we het eens over schrijversparanoia hebben. Ik weet niet of ik de term zelf bedacht heb: een paar maanden geleden las ik een column van Adriaan Jaeggi in De Groene Amsterdammer die over iets vergelijkbaars ging, maar ik meen me te herinneren dat hij het gewoon paranoia noemt. Ik bedoel dus schrijversparanoia, die pathologische angst van schrijvers voor complotten. Bij deze claim ik hem.
Omdat ik zelf altijd wilde schrijven, ben ik vanzelf omringd geraakt met mensen die ook wilden schrijven. En bij iedereen die doorbrak, of ik ze nu goed of oppervlakkig kende, zag ik het na verloop van tijd. Ze kregen schrijversparanoia.

Wat is nu precies schrijversparanoia. Ik zal proberen het te definiëren. De waan dat alles en iedereen tegen je samenspant om je of het werken onmogelijk te maken, of te weigeren de kwaliteit van je werk te erkennen, of te proberen je zoveel mogelijk in je carrière te belemmeren, om redenen die voornamelijk buiten het boek om gaan.

Concreet komt het erop neer dat je boek slecht besproken wordt omdat de recensent liever had gehad dat jouw vriendin de zijne was geweest. Of dat je die reisreportage naar dat exotische land niet krijgt omdat je ooit, jaren geleden, een verkeerd gevallen grap over iemand hebt gemaakt. Of dat je niet je uitgenodigd wordt op dat festival omdat je met X bevriend bent die Y geschoffeerd heeft. Of dat elke huisbaas die je hebt expres gaat verbouwen op jouw werkuren, omdat hij je een verwaande kwast vindt (gebaseerd op een interview afgenomen door een slecht-luisterende journalist). Of dat die ander dat aanvullend honorarium heeft gekregen omdat zijn of haar buurvrouw in de commissie zit.
Het komt in de schrijver niet op dat zijn boek inderdaad wel eens niet het beste debuut van het jaar zou kunnen zijn, dat zijn derde roman inderdaad wel eens minder zou kunnen zijn dan zijn tweede, dat hij inderdaad wel eens op de verkeerde weg zou kunnen zijn met zijn oeuvre, dat toeval echt bestaat en dat het best wel eens zou kunnen zijn dat de jury oprecht dat andere boek mooi vond en het niet uit politieke overwegingen bekroonde.
Nee, er is altijd een buiten-literaire verklaring. Omdat ik toen. Omdat zij zei. Omdat hij mijn. Omdat jij daar.

Het erge is dat de schrijver soms gelijk heeft.
Ik heb uit de eerste hand verhalen gehoord over hoe topambtenaren elkaar op de departementen dwars zitten. Ik heb zelf meerdere malen 'in een werksituatie verkeerd'. Ik heb een half jaar op een redactie gewerkt. Ik heb een en ander achter de schermen van een commercieel tv-programma gedaan. En zelfs toen ik achter de lopende band in een conservenfabriek stond merkte ik: mensen zitten elkaar voortdurend dwars. Als dat bij de NCRV, Van Dale, Binnenlandse Zaken, Endemol en bij de Groko gebeurt, waarom dan niet in de literatuur?
Je moet ook een groot mens zijn om je oordeel over de capaciteiten en de intenties van een ander los te zien van diens kapsel, kleding carrièrewensen, familieleden, vriendenkeuze, de gevatheid van zijn uitspraken en het succes bij het andere geslacht.
Er zijn niet veel grote mensen.

Éva Varga in
De gemonteerde vrouw is deels geïnspireerd op een meisje waarmee ik in 1986 een weekend heb doorgebracht. Ze vertelde het verwarrende verhaal dat ze voortdurend werd dwarsgezeten. En goed, dat haar ouders tegen haar waren, dat komt voor. Dat haar ex-vriendje tegen haar was, daar kon ik inkomen. Dat zijn vrienden tegen haar waren, dat zat erin. Dat haar studiegenoten haar negeerden, was logisch (ze was mooi en intelligent). Dat haar buren tegen haar waren, dat is voor te stellen. Dat haar docenten tegen haar waren, dat kon ik begrijpen. Dat de politie tegen haar was, dat is geen uitzondering. Maar dat ze allemaal en allemaal tegelijk tegen haar waren – dat geloofde ik niet.
Maar ja, dat bewees alleen maar dat ook ik tegen haar was, dus meer dan dat ene weekend heb ik helaas niet gekregen.

Dit soort pathologische paranoia (niet echt ongewoon bij mooie intelligente meisjes van eenentwintig) is vergelijkbaar met schrijversparanoia. Het is altijd de schuld van iemand anders. Er zit altijd een externe reden achter. Het is altijd te verklaren.
Je zou denken dat schrijversparanoia voornamelijk het probleem is van miskende debutanten, prutschrijvers, mindere goden en achterhaalde coryfeeën. Niets is minder waar. De paranoia knaagt van de schrijver die acht gulden zevenendertig leenvergoeding per jaar ontvangt tot de held wiens mantelschouw te klein is om alle literaire prijzen uit te stallen.
Je hoeft niet aan schrijversparanoia te lijden om er onder te lijden, want er is altijd een schrijver zich door jou onheus bejegend voelt en binnen de kortste keren merk je dat geen enkele vriendschap, geen enkele cafékeuze, geen enkele opmerking meer betekenisloos is. En tenzij je naar het buitenland verhuist doe je binnen de kortste keren net zo hard mee.
Schrijversparanoia is niet iets om trots op te zijn. Er is geen schrijver die in een dankwoord beschuldigingen uit. In interviews wordt nagenoeg altijd decent gezwegen over onbewezen complotten, vermoede machinaties of onweerlegbare intriges. Maar achter de rug van de waarschijnlijke dader, in de beslotenheid van een vriendenkring, of de roes van een alcoholische flux de bouche, komen de terzijdes die alles weten te verklaren.

Ook de absurde recensie die
De gemonteerde vrouw ten deel viel in de Volkskrant in 1997.
De verklaringen voor deze recensie hebben van mij tegen wil en dank een schoolvoorbeeld van schrijversparanoia gemaakt. Naar ik begrepen heb is het een soort van gentlemen's agreement om debutanten het voordeel van de twijfel te geven. Valt een debuut tegen, dan bespreek je het gewoon niet.
Maar nee. Over een halve pagina, inclusief foto, werd vier maanden na verschijnen door de recensent van de Volkskrant een poging gedaan het boek tot de grond toe af te breken. En mij erbij. Dit werd zo grondig en uitgebreid aangepakt, geïllustreerd met het werk van Bloem en Zymborska (vergeef me een eventuele verkeerde spelling) dat de recensie bij veel mensen op de lachspieren werkte. 'Heb je aan zijn vriendin gezeten?'; 'Ben je op zijn Märklinverzameling gaan staan en heb je toen gezegd: "Wat maak je je druk, het is maar een treintje"?' kreeg ik per e-mail binnen.
En dezelfde dag nog kreeg ik een telefoontje van een collegaschrijver met de geruststellende woorden, maak je me maar niet druk, dit is een afrekening van de recensent van de Volkskrant over jouw rug.
Later die week kreeg ik een andere, zeer verontrustende (maar ook aannemelijke) verklaring die ik onmiddellijk van de hand wees.

Je werkt lang aan je boek, een à anderhalf jaar is niet abnormaal en je krijgt er een emotionele band mee. Een recensent die je boek slecht bespreekt is dan als kraamvisite dat zich opricht van de wieg en zegt: 'Gadverdamme, wat een lelijk jong.' Ik accepteerde dus moeiteloos alle complottheorieën die van alle kanten werden aangedragen. Want het blijft een beetje raar, dat iemand de moeite neemt een romandebuut gaat fileren, vier maanden na het verschijnen.
Dus ik nam aan dat de slechte recensie mijn straf was omdat ik een mooiere vriendin had, omdat ik gezegd had dat er een typische-recensent-van-de-Volkskrant-recensie was ontstaan waardoor ik er precies zo een kreeg, omdat ik hem in Lissabon betrapte in het café waar Fernando Pessoa altijd kwam, omdat ik in Zoetermeer heb gestaan, omdat ik een ironische fanclub voor mezelf oprichtte die door de oprichter van de Kees 't Hart Fanclub als sarcastische steek onder water werd opgevat, omdat het ene romanpersonage een anti-semitische opmerking maakt die het andere personage als kennisgeving aanneemt, omdat ik een mooiere man ben, omdat mijn uitgever twaalf keer aan de recensent van de Volkskrant gevraagd had wanneer die recensie nu eens kwam. omdat de schrijver met wie de recensent van de Volkskrant ruzie had op tv had gezegd dat hij mijn boek goed vond, omdat de chef van de boekenbijlage van de Volkskrant een hekel had aan het fonds van Nijgh & van Ditmar.
Maar dat ene hele erge heb ik nooit willen geloven.

Ik heb overwogen te reageren. De recensie was erbarmelijk. Geschreven door een recensent die zegt wat de schrijver fout heeft gedaan en schoolmeesterachtig uitlegt wat hij had moeten doen, een recensie waarin de recensent zich vrolijk maakt om de domheid van de schrijver die hij daarentegen mooi even heeft doorzien, een recensie van een recensent die het synoniemenwoordenboek, Lodewick en Knuvelder uit zijn hoofd kent, een recensie van een recensent die goed opgelet heeft bij de colleges Argumentatieleer en zijn betoog handig met valse premissen weet te doorspekken, een recensent die zijn argumenten kracht bijzet door de eerste roman van iemand te vergelijken met het oeuvre van een Nobelprijswinnares, door een hoofdstuk te vergelijken met de complete romancyclus van een bekroonde bestsellerauteur, door de auteur te beschuldigen van ergerniswekkende meningen die uit de mond komen van een romanpersonage,
Ik heb beter opgelet op mijn colleges literatuurkritiek. Daarom ben ik waarschijnlijk ook geen recensent geworden.

Ik ben blij dat ik die brief nooit heb verstuurd, want ik had mezelf niet weten in te tomen en was ik over Zoetermeer begonnen.* En wat was ik dan geweest? Een debutant met schrijversparanoia.
Ik ben dubbel zo blij nu ik in Vrij Nederland van 27 februari je tweede artikel tegen de recensent van de Volkskrant heb gelezen. De kracht ervan is dat je niet in de val ben getrapt van de schrijversparanoïcus en dat je de recensent van de Volkskrant niet aftekent als een wraakengel die al het onrecht wat hem aangedaan is met dubbele munt terugbetaalt. Er zijn geen complotten gaande met de recensent van de Volkskrant als hitman. Nee, je hebt bewezen dat de recensent van de Volkskrant lijdt aan iets dat veel erger is dan schrijversparanoia.

Hij lijdt aan recensentenschizofrenie.
Komt schrijversparanoia nog voort uit het idee dat de schrijver beter schrijft dan wie ook, uit een overtrokken emotionele gevoelens voor zichzelf, voor zijn vak en voor zijn producten, kortom uit liefde, recensentenschizofrenie komt voort uit haat.
Een recensie moet iets zeggen over een boek. Na lezing moet je weten wat de recensent ervan vind en daarna kun je zelf beslissen, diens en jouw smaak vergelijkend, of jijzelf het een goed of slecht boek zult vinden. De recensent van de Volkskrant doet maar wat, in het wilde weg. In het ene blad zegt hij weer dit, in het andere weer dat, de inhoud van zijn betoog is niet van belang, alleen de vorm, de uitkomst, het resultaat. Zijn mening is afhankelijk van zijn meerdere, zijn pet, zijn been uit bed. De recensentenschizofreen maakt zich schuldig aan zinloos geweld.
Beleeft de schrijversparanoïcus nog plezier aan het ontlopen of smeden van complotten, de recensentenschizofreen haat zijn vak, de boeken, de mensen met wie hij zich moet omringen en het allerergste: hij haat eigenlijk zichzelf. Daarom: denkt een schrijver wel twee keer na voor hij vrouw trouwt in wie hij schrijfaspiraties vermoedt, de recensentenschizofreen kan alleen maar trouwen met een iemand wier werk hij neersabelde.
Hij staat aan de bar en wordt op de rug geklopt omdat hij het aandurfde dat icoon van de letteren aan te pakken. En het erge is dat hij soms gelijk heeft. En het erge is dat dat er inmiddels helemaal niet meer toe doet.

Je prestatie is nog veel veelomvattender dan het ontluisteren van de recensent van de Volkskrant, Joost. Je artikel is zelfs een bewijs dat schrijversparanoia, ondanks wat de goegemeente denkt, misschien wel helemaal niet bestaat. Ik denk dat je me in een vroeg stadium hebt genezen.

'Waar maak je je nog druk om,' zei iemand toen ik vertelde over jouw artikel in Vrij Nederland. En daar zat wel wat in,
De gemonteerde vrouw heeft veertien goede recensies gekregen, waarvan enkele juichend en daarnaast is het boek een stuk of zeven keer met waardering opgemerkt in kranten en bladen. Maar Joost, jij hebt ervaring met optredens in het theater en je weet ook dat een eenzaam langgerekt 'boeoe' in een zaal langer blijft naklinken dan de gelijktijdige staande ovatie.
En daarom staan we op, maken een lange neus en roepen netzolang onafgebroken 'boeoe' tot de recensent van de Volkskrant het podium heeft verlaten.

Vriendelijke groet en als je ooit nog hulp nodig hebt om een stoepje te leggen, je kunt me altijd bellen,

Jack Nouws


*)Het schijnt dat de recensent van de Volkskrant gevraagd was in Zoetermeer een rubriek te vullen, maar dat de redactie daar nooit meer op is teruggekomen. Het is onweerlegbaar dat de recensent van de Volkskrant daarna nagenoeg iedereen die in Zoetermeer heeft gestaan slecht heeft besproken. Zelfs toen Zoetermeer gesneefd was kon hij het niet nalaten het verscheiden ervan te uitgebreid te celebreren in de recensie van
Sneue eikels van Gert-Jan van Exel.



Zaterdag 17 april 1999

Lof op het bleekwater

Ik zit nog nagenoeg bedwelmd voor mijn laptopje mijn woorden in te tikken. Als je in Nederland een fles bleekwater koopt staat er altijd nadrukkelijk op dat je het niet mag mengen met andere schoonmaakmiddelen en ik kan me niet anders voorstellen dan dat hier ook is - maar dit is ook het land waar vijftig procent van de bewoners analfabeet is.
Bleekwater, bleekwater. Lixivia, lixiajavel, je wordt er in de winkels mee doodgegooid. Tien, vijftien merken bleekwater. Geparfumeerd, ongeparfumeerd. Flessen van een liter, flessen van anderhalve liter, flessen van twee liter, flessen van vijf liter. Overal bleekwater.
Ik ga 's ochtends naar de wc en als ik de twee trappen afgedaald ben komt het me halverwege al tegemoet, de tranentrekkende, prikkelende geur van bleekwater, soms, net als vandaag vermengd met ammoniak. De vloer is vochtig nagedweild, niet met water, maar met bleekwater. Als ik mijn broek zou laten zakken tot op de vochtige vloer, dan zouden de uitgebeten vlekken er morgen in staan.
Ik loop na het ontbijt op mijn kamer het dorp in om een galão te drinken. De winkels zijn net open en de winkeldames spuiten glassex op de ramen en schuren de muur en de stoep met bleekwater.
In Vela d'Ouro sta ik aan de toog tussen gehaaste huisvrouwen mijn glas warm vocht weg te slikken als iemand zijn koffie omgooit. Er komt iemand uit de keuken die de scherven van het dikke porseleinen kopje wegveegt en daarna de koffie wegspoelt met bleekwater. Koffie. Met bleekwater.
Bleekwater is heilig in Portugal. Alles wordt schoongemaakt met bleekwater en ik verdenk ze er bijna van dat ze eisen dat het kraanwater gechloreerd is. De stoep, de plee, de vloer, zelfs in de was gaat lixivia, met op de fles het ronkende opschrift dat het wordt geadviseerd door Philips, Indesit, Bauknecht, Miele, Ariston en merken die wij helemaal niet kennen en de aanbeveling van Benetton dat het niet slecht is voor de kleuren.
Terwijl bleekwater helemaal niet schoon maakt. Bleekwater bleekt, maakt dood, maar niet schoon. Azijn maakt beter schoon en maakt tegelijk ook dood.
De onderkanten van de deurposten van de douches en wc's hier in F. zijn helemaal weggevreten door het bleekwater. Ik kan me dat van de oude deuren ook nog herinneren en met de nieuwe deuren zal het ook wel niet lang meer duren.
Gepoetst wordt er verder niet. De witte tegeltjes zijn vanaf tien centimeter hoogte geel van de jarenlange aanslag van zeep, shampoo, vuil en lichaamsresten. Ze zijn nog nooit geboend.
Bleekwater. Gelukkig loopt de wc voortdurend door, want het idee van een schone wc is een wc met een plens bleekwater erin en als je daarin pist zie je de groene dampen bijna naar boven komen, verstikkend, giftig.
Als ik mijn verschoonde bed opensla, ruik ik geen lentefrisse bloemengeur. Geen ouderwetse zeepgeur. Ik ruik bleekwater. Als ik mijn sokken en ondergoed in de wastafel heb geweekt met Wipp Express en ze uitgespoeld heb ruik ik geen wasmiddel, maar chloor.
Aan de rand van Sines zijn de eerste echte supermarkten verschenen. Twee, vier, zes flessen bleekwater gaan er in het karretje. De goedkoopste, ongeparfumeerd, 'tradicional', vijf liter. Eéntachtig.
Schoon is bleekwater.

En als de flessen leeg zijn worden ze op straat gesmeten. Als je langs de vloedlijn loopt, op zoek naar zee-egeltjes, krabbetjes, vreemd gevormde schelpen, jut je door touwtjes, doosjes, lappen plastic, waterflessen, stukken visnet en flessen bleekwater. Het opschrift is verbleekt in de zon, in het zeewater, maar altijd lees je nog: Lixivia, 5 litros. In de vuilcontainers, of ernaast als die vol is en daarna vergeten door de vuilnisophalers. Bleekwater, overal bleekwater.
Langs de wegen zijn picknickplaatsen. Werkmannen knagen daar door de week hun lunch weg. In weekend zitten daar complete gezinnen. Klapstoeltjes. Kampvuurtje. Kleed. Eten. En na afloop doen ze alles in een plastic zak die aan een boom gehangen wordt. Als ze nog een lege boomtak kunnen vinden, want er hangen er al tientallen. Wat is er mis mee om die zak mee te nemen tot het eerstvolgende dorp? Soms wordt er een baby verschoond. De wegwerpluier wordt weggeworpen. Wedstrijdjes wegwerpluier gooien, zover mogelijk het bos in. En ook weer lege bleekwaterflessen. Waarom hier?
Een leeg sigarettenpakje wordt verfrommeld en weggegooid, een asbakje voor het stoplicht op de treeplank uitgeklopt, blikjes weggeschopt. De weg naar het strand is opnieuw geteerd en de route van de vertrekkende teerwagen moet nog kilometers te volgen zijn door het druipende Hans en Grietje-teerspoor dat hij heeft nagelaten. In de berm liggen opeens plassen teer ergerlijk esthetisch te blinken, het gereedschap is afgeveegd aan het gras in de plantsoentjes, onbruikbare beteerde handschoenen en laarzen liggen achteloos verweesd in de goot.
Als ik op mijn vaste plekje op het 'Vasco da Gama'-strand ga zitten, tegen de strandmuur, moet ik eerst schoonmaak houden. Zakjes, papiertjes, servetjes, tissues die eruitzien alsof ze met sperma tot verlepte roos zijn verfrommeld. En sigarettenpeuken die als gore krokussen hun kop uit het zand steken, tientallen, van de mensen die zwijgend over de zee hebben staan uitkijken en daarna hun peuk op het strand gooiden. En verdwaalde flessen bleekwater.
Over heel Sines hangt soms een gele walm van stank. Op het strand spoelen korsten teerproducten aan, lagunes zijn dichtgekleefd met paraffine. Tachtig procent van alle chemische afval van Portugal wordt in de omgeving in open putten gedumpt.
De mensen klagen en stappen daarna in hun auto die vijf minuten met draaiende motor voor de winkel heeft gestaan.
Maar de flessen bleekwater gaan er ondertussen nog steeds doorheen, als Lourdeswater.

Als ik Portugal ruik, dan ruik ik de sardientjes die om twaalf uur op de gril gaan, ik ruik de pijnbossen in de bergen. En ik ruik bleekwater.



Zondag 18 april 1999

Een mooie dag vandaag, vandaar dat ik in de auto ben gestapt en ben gaan rondrijden. Eerst naar Grândola, daarna naar Alcacer do Sal en daarna via Comporta en Santiago terug naar Sines.
Weer zo'n aanval van levensvreugde, met het dak open en de zon brandend op mijn kop. Ik heb zitten zingen. De weg binnendoor is fantastistisch. Geen vier maar acht kleuren asfalt. Minsten twee losgetrilde vullingen, nu. Al die rare kleine dorpjes die uit 3, 8, 17 huizen bestaan. Vervallen kerktorens met een ooievaarsnest op de toren. Haarspeldbochten zonder afscheiding van het afgrondje. Kilometers lang alleen maar kurkeiken of olijfbomen en geen mens in zicht, kilometers lang geen bebouwing, buiten wat vervallen hutjes.
Karen Blixen schreef in
Out of Africa dat het typisch is dat mannen – stoer, krachtig, ruw gebouwd, zweterig, behaard – vallen op vrouwen – bedeesd, zacht, zacht van lijn – en omgekeerd. Ik heb daar ook wel eens over nagedacht hoe het kan dat die ranke deernes, met hun fluwelen huidjes en zachte ronde lijnen in bed willen liggen met zo'n behaard bonkig stuk spierweefsel. Blixen hing er een filosofie aan op dat dat de reden was waarom de Vikingen naar het zuiden trokken, de Noord-Europeanen het liefst in Italië rondtrokken of zelfs Afrika koloniseerden. Leuk bedacht, maar het typische van mannen en vrouwen is dat het wederkerig is en ik heb niet het idee dat Afrika overweldigd wilde worden.
Wat wel heel grappig is en wat ik een keer gesignaleerd heb gezien, is dat elk land een stug noorden en een joyeus zuiden heeft. Zet Hollanders tegenover Brabanders en Limburgers en je ziet Catalanen tegenover Andalusiërs, Transmontanen tegenover Alentejanen.
Ik in mijn Daf rijdend door Portugal, dat is dus een vent die over een vrouw heengaat.