Jack Nouws
Pension F.
Sines
Sines, maandag 22 maart 1999
Querida Jiska,
Ik zal je een geheim verklappen. Het handschrift waar je nu naar zit te kijken is in werkelijkheid een digitalisering van mijn handschrift. Dat verklaart misschien ook de dyslectisch-achtige fouten die er soms in staan. Ik sla de toetsen wel eens verkeerd aan en na vierenhalf jaar gebruik begint het toetsenbord van mijn trouwe PowerBook te verslijten. Als ik onder een verkeerde hoek aansla wilt-ie wel eens een lettertje overslaan. En nu ik vanochtend (met tegenzin) op een pc heb zitten tikken met een groter toetsenbord moet ik weer even wennen aan de positie van de toetsen.
Op deze PowerBook heb ik nagenoeg heel mijn eerste roman geschreven en ik wil er ook mijn tweede op schrijven. Dat is waarom ik hem heb meegenomen. Plus dat de economische waarde van het ding nu nul is, als hij gejat wordt of kapot valt is er niets overboord. Behalve dan dat ik er aan gehecht ben. Ik raak altijd gehecht aan mijn spulletjes. Niet per se omdat ik aan materiële dingen hecht, maar omdat het apparaat vanzelf een icoon wordt, een herinneringsmachine. Door het te zien, door het aan te raken, door het aan te zetten komt er altijd een stroom herinneringen in me op. Vandaar dat sommige dingen ook in dozen zitten, omdat ik even geen behoefte heb aan de herinnering. Voorlopig. Ik heb mijn eerste Daf, nadat hij in elkaar gereden was door mijn voormalige vriendin C., nog drie jaar bewaard, in de hoop dat ik hem kon opknappen, of laten opknappen. Ooit eens. Mijn allereerste Walkman heb ik ook nog. En in mijn koffer bouwt zich nu al een berg van souvenirs aan dit verblijf in Portugal op: lege telefoonkaarten, folders, bonnetjes — en dan heb ik de 20 filmpjes en 4 videobanden nog niet eens uit mijn koffer gehaald.
Overigens hoef jij je ook niet voor je handschrift te schamen. Het is duidelijk een vrouwenhandschrift, maar niet zo meisjesachtig als je vaak ziet. Maar de notitieblokblaadjes verraden inderdaad de onregelmatige briefschrijver. Wel heel journalistiek.
Ik kan je alleen maar zeggen dat het weer hier steeds beter wordt. Ik zit nu elke dag vanaf een uur of drie tegen de strandmuur. Ik heb een klok annex thermometer in mijn zak zitten en die geeft daar 36 graden aan. Mijn kop is al verkleurd. 's Avonds koelt het tot normale temperaturen af. Ik slaap nog steeds onder vier dekens, een sprei en een plaid. En ik slaap een stuk beter, sinds ik vorige week vrijdag een nieuw bed heb gekregen, zonder kuil.
Ook frustrerend iemand te moeten interviewen die niets te vertellen heeft. Maar ja, dat je een mooi kunstwerkje kunt maken wil nog niet zeggen dat je er ook leuk over kunt vertellen. Ik heb zelf bijzonder veel moeite om iets zinnigs over mijn werk of de literatuur te zeggen. Dat is ook de reden waarom ik zeer weinig in beeld was bij de Van Gewest tot Gewest -uitzending. Ik was er wel gelukkig mee, want ik voelde ook dat ik weinig interessants had gezegd. Later ja, toen de camera uit stond, toen kwamen ingevingen. Tommy kan dat veel beter, praten. Hij kan met zijn sonore stem en zijn priemende ogen zonder te hakkelen dingen zeggen die heel overtuigend overkomen.
Schriftelijk ben ik veel beter. Misschien moet ik voortaan vragen schriftelijk beantwoorden of moet ik toch maar eens een camera- of interviewcursus gaan doen. Als journalisten opgeleid worden om vragen te stellen, waarom zouden mensen dan niet opgeleid kunnen worden in het antwoord geven?
Ik weet niet of je al geprobeerd hebt te kijken of mijn internetdagboek er staat. Met een beetje geluk staat het erop als je deze brief krijgt. Ik ben vandaag weer een groot deel van de tijd bezig geweest met deze mezelf gestelde opdracht. Op het cultureel centrum van Sines is het inderdaad gelukt alle inloggegevens van het centrum in mijn PowerBook te zetten en in te loggen. Toen hield het op, tot er plotseling een pagina binnenkwam. Daarna hield het weer op. Uiteindelijk de helpdesk in Lissabon gebeld die me wat oplossingen hebben gegeven, dus morgen ga ik het weer proberen. Een gebed zonder end. Ik zou hier nog een aardige carrière kunnen beginnen als internetexpert. Misschien zelfs in Nederland nog, alleen interesseert het me niet genoeg.
Je hoeft je niet te verontschuldigen voor het niet gelezen hebben van mijn roman, maar je moet je doodschamen. Ach, ik heb nog nooit een boek gelezen van Manon Uphoff (al heeft dat een reden), dus wat maakt het uit. Nu hoef je ook niet te zeggen wat je ervan vindt. Vind ik wel prettig dat mensen dat niet zeggen. Iedere keer als iemand tegen me zegt: 'Zo. Ik heb je boek gelezen', weet ik dat dan verwacht wordt dat ik zeg: 'En?' Dat doe ik dus niet omdat deze formulering al de inleiding is van een negatief verhaal.
Afgelopen donderdag zat er trouwens een groepje mensen in De Bastaard, meteen als je binnenkwam. Een van hen was Mijn Grootste Fan. Echt. Toch wel vreemd. iemand die idolaat van je werk is. Ik werd er helemaal verlegen van, zoals zij verlegen van mij werd, zodat we voornamelijk via haar vriendinnen hebben gecommuniceerd. Tja. Afgezeken ben ik ook al genoeg en daar weet ik ook niet goed op te reageren. Toch maar eens kijken waar ik zo'n cursus zelfrepresentatie kan volgen.
Ik hoor van je,
Liefs, Jack
Woensdag 24 maart
Twee verloren dagen achter me. Niet echt. Ik ben begonnen aan The Ants. De eerste twee hoofdstukken heb ik al bijna doorgelezen. Taaie kost, maar het lukt me wonderwel mijn aandacht erbij te houden, zelfs op het warme strand met alle beweging om me heen. Van de Sineense jeugd en van de tientallen kleine zwarte vliegjes die zich hardnekkig op mijn papieren verzamelden. Sinds gisteren is het weer minder. Veel bewolking en zelfs wat regen.
Zondagavond heb ik na het voltooien van het dagboek een wandeling door Sines gemaakt om te bepalen in welk restaurant ik zou gaan eten. Helaas waren nagenoeg al mijn vaste stekken dicht (ik heb er nu vier) en de eventuele alternatieven ook. Dus ik ben in mijn eigen pension F. gaan eten. Dat was mijn zondagse gewoonte in 1994 en dat ga ik nu ook maar weer aanhouden. Omdat het zondag was nam ik in plaats van mijn gebruikelijk bier een kannetje wijn. Voor 200$00 (Portugese notatie voor tweehonderd escudo) kreeg ik een halve liter rode wijn. Vijf glazen. Na het wegknagen van mijn 'Bitoque de Porco' (600$00) ben ik naar de bar van het café gewankeld en ben daar overgegaan op de port. Er zit tegenwoordig in F. een leeftijdsloos mannetje met borstelsnor, bril en glimmende schedel. Fernando Pessoa. Hij spreekt alleen Portugees, maar via Harry viel er wel wat te communiceren. Dus we hebben het over interessant onderwerpen gehad als het verschil tussen 'tawny', 'tinto' en 'branco', 'vintage' en 'colheita'. Wat eigenlijk een single malt whisky is (die is niet 'blended' zoals een vintage of een colheita) enzovoort. Verder vertelde Harry dat hij uit Castelo Branco kwam. Ik vroeg hem welke en hij antwoordde dat er maar één is. Gelukkig hangt er een kaart in het café, zodat ik niet met mijn dronkemansbravoure naar boven moest lopen om mijn wegenkaart te halen en ik ter plekke kon bewijzen dat er twee Castelo Branco's zijn in Portugal. Harry was stomverbaasd. Tja. Dit is een land waar ongeveer de helft van de bevolking analfabeet is. Ik ben toen gaan opnoemen waar ik allemaal geweest was, maar dat is het voorrecht van de toerist. In Nederland ben ik bijvoorbeeld nog nooit naar Volendam, Giethoorn, Neeltje Jans, de Grebbeberg en andere hoogtepunten geweest. Op de een of andere manier kwam het gesprek op vrouwen, waarbij mijn met mijn handen uitgedrukte voorkeur voor lichaamsbouw van begeerlijke vrouwen zoveel hilariteit opriep dat iedere keer als ik nu in het café kom met veel handengewapper geïnformeerd wordt of ik vandaag nog vrouwen heb gezien die er zo uitzien. Ja, daar zaten we, de drie grote versierders en lol dat we hadden, voornamelijk omdat ik alle drankjes betaalde (ik kreeg na afloop ook de ontzagwekkende rekening van 850$00). Vooral Harry kan er wat van. De deur van het café staat altijd open en zogauw er meisjes voorbijlopen (dat is dus voortdurend) fluit hij ze na, of roept hij wat. Soms wordt er op gereageerd, maar dat zijn mensen die hem al kennen. Zo liep er laatst een oud meisje binnen, drie turven hoog, helemaal in het zwarte leer, hakjes, haar roodgeverfd, gezicht met oorlogskleuren. Kreeg haar cognac gratis. Vanochtend zag ik haar met schort en plastic handschoenen op haar knieën in een gemeenteplantsoen zitten, het onkruid te wieden.
Maar goed, als ik niet uitkijk zit ik voortaan elke avond met mijn nieuwe vrienden het leven uit te zitten.
Na mijn eerste opluchting en vrolijkheid van vorige week begint nu langzaam tot me door te dringen dat ik hier niet voor mijn lol zit. In velerlei opzicht niet. Af en toe word ik overvallen door een bui van neerslachtigheid die ik probeer te dempen door een potje Tetris te spelen, maar als ik dan twee uur verder ben en nóg geen high-score heb gehaald, kan ik mijn PowerBook wel door het raam slingeren. Die neiging heb ik af en toe toch wel. Sinds ik in de afgelopen maanden o.a. op een leen-iMac van Apple en de PowerMac van een vriend heb mogen werken, besef ik hoe langzaam het oude beestje aan het worden is.
Neerslachtigheid dus. Ik weet niet precies waar die vandaan komt, alleen kan ik wel een heleboel dingen verzinnen natuurlijk. Mijn verblijf nu is anders dan mijn verblijf in 1994. Ik probeerde J. te vergeten. Mijn ouders waren amper een jaar dood. Mijn boek was nog niet verschenen, dus ik had nog geen lof en geen stront over me heen gekregen. Ik hoorde The Counting Crows voor het eerst, net als The Cranberries. En Suede. En nu? Ik heb nagenoeg geen stof om mee te werken. Het verhaal wat ik in mijn hoofd heb is heel vaag en vluchtig en werkt misschien wel helemaal niet als het op papier staat. Ik heb de angst te mislukken.
Vandaag was wel een goede dag. Ik was zo slim om eraan te denken om Thijs te bellen, in de hoop dat hij me misschien kon helpen. Maar nee. Helemaal op het eind van het gesprek kwam hij met zijn buurman, Kaspar Mooijman, die wat van computers scheen af te weten. Die heb ik onmiddellijk gebeld en ik kon meteen komen, al waarschuwde die me voor zijn uurtarief van 3.000$00. Maar ja, wat mot dat mot. Hij heeft in ieder geval de DNS IP-adressen voor me opgezocht en na een paar crashes en mislukte pogingen werkte het opeens. Hij was erg geïnteresseerd in mijn Mac. Hij was verbaasd dat mijn Mac drie keer bomde, want hij dacht dat pc's juist de hele tijd vastliepen. Dat ontloopt elkaar dus niet zo veel, alleen is bij mijn de oorzaak duidelijk: te weinig RAM. Als iemand een oprechte objectieve belangstelling toont verlies ik ook meteen mijn zendingsdrift. We hebben gezellig aan elkaar gedemonstreerd wat er allemaal wel en niet kan met MacOS en Windows. Eindelijk heb ik dus mijn homepage kunnen bijwerken. Er zijn nog wat achterhaalde mails weggegaan, maar dat geeft niet. Het was wel een hele opluchting. Ik kan, als het goed is, nu wel elke week mijn dingen doen. Mooi.
Na afloop heb ik nog een tijdje met die Kaspar staan praten. Dat werd al eigenaardig snel een gesprek over relaties. Terwijl we elkaar helemaal niet kenden. Ik heb over H. verteld en hij vertelde wat wijze dingen over zijn relatie.
Hij had alleen slecht nieuw over Antonio, de geek die alles van mieren wist.
Donderdag 25 maart
Gisteren werd ik waarschijnlijk toch meegesleurd door de vreugde dat ik mijn dagboek nu kan bijwerken. Nadat ik wat ben gaan eten heb ik nog een koffie in het café genomen en voor ik naar boven kon gaan kreeg ik een rondje aangeboden van Harry, dus ik moest er weer een teruggeven. Enzovoort. Om 12 uur toch naar boven gegaan en pardoes een hele lap tekst opgeschreven over hoe Chris Kriszta ontmoet. Het is nog heel ruw, maar het lijkt tenminste ergens op, er zit een toon in. Allemaal heel belangrijk. Een woord of 1.000. Ik hoop dat ik het volhoudt.
Besloten vandaag brood te eten. Ik heb veel geld uitgegeven gisteren.
Gisteren ging Harry kijken of hij een Nederlandse zender voor me kon vinden met zijn satellietschotel. Hij heeft vanalles, CNBC, een Duitse MTV, een Franse zender die alleen maar modeshows uitzendt, enzovoort. Hij surfte toen opeens langs een pornozender. Het was echte harde porno, maar het grappige was dat alle genitaliën zorgvuldig weggeretoucheerd waren. Twee vrouwen die met een kont omhoog, benen gespreid naar de camera hun billen rondcirkelen: twee etalagepoppen die met elkaar in de weer waren.
Vrijdag 26 maart
De NAVO voert aanvallen uit op Joegoslavië. 'Guerra na Europa', is het thema van radio en tv, met geluidseffecten. Een film.
Vandaag moest mijn kamer schoongemaakt worden, dus ik ben veel buiten geweest. De ochtend begon met een strakblauwe lucht, maar eindigde door de ijzige zeewind bewolkt en fris. Ik heb vannacht zeker 10 uur geslapen. Ik ben de laatste dagen moe en suf. Ik heb het dak van de auto gewassen. Ik wil de roestplekken gaan behandelen. Op het Praia do Norte gewandeld en naar de beukende zee gekeken.
Schelpen, stenen en een compleet krabbetje meegenomen. Daarna in de baai gezeten en wat gelezen en het mierenboek doorgewerkt.
Ik moet Ed Schilders schrijven en vragen of hij iets afweet van de 'De geur van heiligheid'. Volgens mij heeft hij daar ooit iets over geschreven.
Jack Nouws
Pension F.
Sines
Sines, vrijdag 26 & zaterdag 27 maart 1999
Beste Willem,
Een beetje literair naar beneden afgerond is het nu precies tien jaar nadat wij getweeën hier in Sines, op de duistere derde verdieping van Pensão Restaurante F. twee maanden hebben doorgebracht (netto vijf weken voor de vrouwen arriveerden) En precies zoals ik je vijf jaar geleden kon melden, toen ik voor de eerste keer hier veertig dagen alleen doorbracht, Sines is geen steek veranderd & Sines is niet meer hetzelfde.
Dat laatste heeft ook veel te maken met het tijdstip. In 1988 maakten we de naweeën van de herfst mee en de aankondiging van de winter. Sines kwam tot stilstand, het dorp viel in slaap, wij waren de anachronismen. Zowel in 1994 als nu ben ik hier in de lente en ben ik niet meer dan een van de zwaluwen die het magere toeristenseizoen aankondigen. En ze zijn inmiddels wat meer doorgaande buitenlanders gewend.
En ikzelf ben natuurlijk ook veranderd. Sinds 1988 ben ik ontelbare keren alleen of in gezelschap van al dan niet tamelijk onbekenden onderweg geweest. Hongarije, Zweden, Sri Lanka, Spanje, Frankrijk, New York, je kunt me er achterlaten. Hoewel ik nooit zo'n wereldreiziger zal zijn die binnen een dag op een nieuwe plek al vrienden gemaakt heeft, ik ben wel in staat om me in mijn eentje te handhaven en indien nodig iemand aan te spreken en om hulp te vragen. Dat deed ik vroeger dus nooit. Ik heb op mijn Interrailreis van 1986, mijn eerste reis alleen, veel honger en dorst geleden, ik ben veel verdwaald, ik heb misschien tweehonderd woorden in 31 dagen gesproken en ook nog eens bijna niets meegemaakt. Misschien maar goed ook: dat laatste was een van de redenen om De gemonteerde vrouw te schrijven. Niet opschrijven wat er gebeurd is, maar wat je graag gewild had dat er gebeurd zou zijn.
Toch, als ik hier ben, in dit rare donkere klamme pension en de geuren ruik van de klerenkast, de vochtige douchevloer, de geboende gangen en uit het restaurant, dan kost het me heel weinig moeite om me weer te voelen als toen in 1988, toen we hier met zijn tweeën zaten. Toen gisteravond na het nuttigen van een glaasje port (omdat ik vorige week zondagavond na een halve liter wijn op de port overging, krijg ik nu automatisch een glas port voorgezet, ook als ik eigenlijk een bier wilde gaan bestellen) mijn kamer binnenliep voelde het ook echt als mijn kamer. (Dat mis ik in mijn HAT-eenheid, mijn hondenhok, in Utrecht: dat het niet meer dan één kamer van 23,5 vierkante meter is, zonder een aparte kamer waarin ik me kan terugtrekken).
Daar staat tegenover dat er op het hoogtepunt zeven gasten zijn en als die allemaal evenveel betalen als ik, (ze zitten ook allemaal op de sobere derde verdieping), dan blijft er niet veel over voor onderhoud.
Omdat het hele binnenwerk van hout is, voelt het pension aan alsof het leeft. 's Avonds blijven de vloeren nog een uurtje nakreunen. Als de werkster door de gang loopt komt mijn bureau omhoog. Ik vind het allemaal wel gezellig. Toch kan ik niet het nalaten met een Nederlands oog naar F. te kijken en in te schatten wat ik eraan zou kunnen doen om hier een goedlopende tent van te maken. Maar ja, wat voor zin heeft dat als er toch geen mensen komen. Alle reisgidsen raden je af naar Sines te gaan, of noemen het niet eens. Gelukkig, denk ik nu.
Als ik de weinige Sineensen die ik spreek moet geloven, is het toch niet de normale manier van een pension runnen zoals Harry het doet. Over het algemeen heeft men een hekel aan de manier waarop hij de tent onder zijn handen laat verkruimelen.
Maar goed, ik zit hier ook niet voor de gezelligheid, nou vooruit, toch wel, ik mag hem wel, die Harry, met zijn glimmende oogjes en fluitjes naar de meisjes, zijn grapjes en zijn gulheid. Dit is ook de kamer waar Chris Verhaeren de laatste weken van zijn leven zal slijten en zonder dat het autobiografisch hoeft te zijn, vind ik het wel prettig om te weten hoe iets voelt als ik er over schrijf (nee, ik ga mezelf niet verdrinken en nee, ik heb geen Hongaarse anaal verkracht - zelfs geen Nederlandse). Ik weet niet of ze je bij de bibliotheek al hebben uitgelegd hoe internet werkt en dus mijn dagboek tot nu toe hebt gelezen. De reis per auto was tamelijk rampzalig en, zoals ik eerst dacht, waardeloos voor me. Nu. precies twee weken na mijn aankomst, denk ik daar anders over. Als vakantietripje was het inderdaad zinloos. Niet met kinderlijke verwondering om je heen kijken terwijl het landschap verglijdt en nadenken over de dingen die je gezegd en gedaan hebt de laatste weken (ik heb het idee dat ik veel mensen geschoffeerd heb), maar vloekend en tierend proberen je auto aan de gang te houden. God, wat een prachtige ellende kan ik Chris Verhaeren allemaal laten overkomen als hij na het plegen van zijn vuige daad in de auto stapt en begint te rijden en met veel moeilijkheden uiteindelijk zijn motor in de soep draait bij Porto Branco. Ik kreeg een brief van H. die het allemaal metaforisch interpreteerde: hoe alles onder je handen verbrokkelt zodat je verplicht ben het op te lossen en in orde te maken voor je kunt terugkeren. Zo kan ik het ook allemaal in de tweede roman gaan verwerken.
Ik heb nog steeds hetzelfde ritme van 1988, al word ik wat later wakker dan toen, nu jij er niet bent om me uit bed te rammelen. Ik sta op, was me met koud water aan de wasbak, of neem een douche (om en om). Dan ga ik naar de markt om brood te halen, en fruit, een tomaat en een pepino. Op mijn kamer ontbijt ik dan, vier knapperige witte broodjes met zoute boter en aardbeienjam. Daarna ga ik naar 'Velha d'Ouro' tegenover het kasteel om een galão te drinken. Op het terras. Ik merk dat ik de enige ben die dat drinkt, maar de combinatie van een plas warme melk met een espresso is ideaal om mijn darmen op gang te brengen. Daarna loop ik via een omweg naar huis zodat de winkels met de leukste verkoopsters op mijn route liggen. Even op de plee knetteren en dan ga ik schrijven. Om een uur of vier ga ik met een tasje met leesvoer, zonnebrandcrème, een flesje water en twee broodjes (tomaat met kaas, tonijn of sardines) naar het strand. Soms steekt er dan post in mijn vakje, die neem ik dan mee. Tot de zon te laag staat zit ik dan te lezen en aantekeningen te maken en na te denken over het leven, mijn auto, het weer, literatuur, wat ik die avond ga eten enzovoort. Ik kijk een beetje mismoedig naar de vetrolletjes op mijn buik en verrast naar een rare beet op mijn bovenarm. Daarna ga ik naar huis, brieven schrijven, mijn dagboek bijwerken en proberen mijn high-score van Tetris te verbeteren (ik sta nu op 23.941, een verdubbeling van mijn vorige high-score). Als het negen uur is ga ik eten. Om half tien ben ik dan weer terug en drink ik meestal weer een koffie op mijn vaste adres. Die hebben de lekkerste koffie. En de lekkerste bolo's. Ik ben afgestapt van de oer-bolo waar we in 1988 aan verslaafd waren, de berlinerbol, en verwen mezelf met een pasteis de nata , dat is een bladerdeeg-gebakje met banketbakkersroom. Op doordeweekse dagen drink ik dan nog wat bij Harry. Omdat we nu vrienden zijn krijg ik ook vaak een rondje van hem. Daar heb ik eigenlijk een hekel aan, omdat ik me dan weer verplicht voel een rondje terug te geven, zodat ik al met al weer veel te veel heb gedronken en niet veel meer doe als ik naar boven ga. Eén glas alcohol is voor mij al genoeg om mijn schrijfconcentratie te breken. (In de 17 maanden dat ik aan De gemonteerde vrouw werkte dronk ik alleen in het weekend. Verder ging er een pak vruchtensap per dag doorheen.) Op zaterdag is Harry dicht en dan ga ik naar de bioscoop.
Vanavond draait er weer zo'n kneukfilm, 'Letters from a killer', met Patrick Swayze. Normaal zou ik er niet over denken daar naartoe te gaan, maar het breekt de sleur. Toen ik hier in 1994 was waren er nog twee films per weekend: op vrijdag en zaterdag een kneukfilm, op zondag een familiefilm. Zo mooi als in 1988, toen er elke dag een andere film draaide, met op donderdag een porno, is het niet meer. En ook hangt Sines niet meer vol met reclame voor de film die die avond zal draaien, wat op donderdag altijd een zeer surrealistisch gezicht was. En vooruit: op zondag ga ik bij Harry eten, vooral nu ik ontdekt heb dat je voor 200$00 een halve liter wijn bij je eten krijgt. En omdat het zondag is verwen ik me dan door deze keer wel van de olijven en de sardinepasta te nemen. Daarna sleep ik me naar de bar en ga ik rondjes geven aan Harry en een andere vaste gast die erg op Fernando Pessoa lijkt. Afgelopen zondag hebben we helemaal dubbel gelegen van het lachen door de sleutelhanger van Harry die reageert op fluiten. En om Harry die als een geile aap reageert op de passerende meisjes en ze naroept. En nafluit. En dan begint die sleutelhanger weer...
Ja, als je je een beetje aanpast lach je wat af.
Maar wat er veranderd is. De twee meisjes beheren nog steeds de copyshop aan de overkant van de straat. Alleen zijn het niet echt meisjes meer. En ik hoef er niet meer naartoe, want ik heb een laptop & printer bij me.
Ferdinand! Ik heb Ferdinand gezien, onze grote roodharige bolle zwakzinnige, die door Sines liep met zijn trommel in een plastic zakje zodat hij niet zou gaan roesten en die achter de fanfare aanliep en met zijn mond de trompet deed. Alleen is hij grijs geworden. Een kind met grijs haar.
Het restaurant van het bange meisje is nu het jongerencafé El Bucanero geworden, en de pastelaria ernaast, met die ongelofelijke jaren vijftig inrichting is nu een restaurant. Al zegt het uithangbord nog steeds 'pastelaria'. De pastelaria waar we verslaafd raakten aan de bolo's, met dat lelijke schilderij aan de muur, aan de hoofdstraat wordt nu verbouwd. Zal wel donkerbruin eiken met halogeen worden. Marco werkt ook nog steeds in zijn restaurant, Joop en Clara zijn er daarentegen mee opgehouden. Dat is nu een souvenirwinkel.

Het café van 'Joop en Clara'
Souvenirs aan Sines, het heeft wel iets grappigs. Jacobse is nog steeds het goedkoopste restaurant, voornamelijk omdat de extra's (brood, bier, salade) niets kosten. Ik ga er nog zelden heen, want het is er niet te vreten. Dat was toen wel anders. Die lelijke sjaggerijnige wijven werken ook nog steeds op het postkantoor, maar er werken nu ook jongere vrouwen die je proberen echt te helpen en je zelfs alle poste-restante brieven laten zien zodat je zelf kunt aanwijzen wat voor jou is.
Er loopt een clubje van zeven mismoedige junks rond, maar ze doen nog niks. Geen wonder, want ze krijgen natuurlijk onmiddellijk de schuld als er iets gebeurt. Ik heb een halve week mijn auto open laten staan, zonder enig gevolg (er ligt natuurlijk ook niets in). Toch vind ik het onrustbarend om te zien dat veel kamerdeuren in F. opengebroken zijn geweest.
Op de muren staat graffiti: 'Sineenses querem trabalho'. 'De mensen van Sines willen werk'. Een beetje vreemd met al die omringende zware industrie, dus dat ga ik nog even uitzoeken.
Ik zie wel dat het slechter gaat hier. In 1988 gingen we altijd vroeg eten zodat er plek was en de kans kleiner dat ons lievelingsgerecht op was. Buiten het seizoen, net als nu. Allen zit ik nu soms alleen te eten.
En het strand natuurlijk, dat is veranderd, sinds wij dat stoffige gravelterrein moesten oversteken. Er ligt nu een vierbaansweg en een deugdelijke boulevard, en een fraaie strandmuur. Daar waren ze in 1994 al druk mee bezig en toen ik met Helen in 1995 aankwam, was het klaar. Inmiddels ziet het er alweer uit alsof het al jaren oud is. Aan onderhoud wordt hier niet veel uitgegeven. Het strand is opgespoten en omdat er weer twee golfbrekers zijn bijgekomen, kabbelt de zee nu een beetje suf, maar het geluid is nog steeds mooi. De kapotgeslagen pier voor de olietankers, in de jaren zeventig door een corrupte aannemer gebouwd met inferieur beton, is inmiddels door de Hollandse Beton Groep gerepareerd. Vroeger keek je als je bij F. voor de deur stond meteen over zee uit. Nu wordt het zicht belemmerd door een jachthaven. De golfbreker eromheen is zo slordig en lelijk dat het meer is alsof de ranke jachten en zeilboten in de harige oksel van een zeebonk rusten.
Vanaf het strand is de skyline van Sines een beetje veranderd. Naast dat lelijke Sinerama-hotel steken er nu twee postmodernistische suikertaarten omhoog. Ik vind ze niet lelijk. Het is misschien façade-architectuur, maar het is altijd nog beter dan de troep die hier in jaren zeventig is neergezet, met zijn knusse onderdoorgangetjes, doorkijkjes, balkonnetjes en nisjes.
Van beton.
Veel vervallen huizen zijn verder vervallen, gelukkig wordt er tegenwoordig ook driftig gerestaureerd. Alle café's en winkels hangen vol met vergrotingen van hoe Sines vroeger was: mooi. Ja, nu krijgen ze spijt.

Zo zag de visafslag er vroeger uit

En zo nu al niet meer
Trouwens, een van mijn dromen: een pension beginnen in deze omstreken voor schrijvers, dichters en ander kunstenmakers (zoiets als wat dEUS in Ronda in Spanje zijn begonnen) zal ik moeten vergeten. Een beetje huis kost hier al gauw twee ton en dan heb je niet veel meer dan in Nederland. Er is langzamerhand een gegoede middenklasse opgestaan in Portugal, die vanuit Lissabon met hun 4WD in deze regionen naar hun zomerhuisje rijden. Tegelijk is het hele kustgebied van Setúbal tot Sagres tot natuurgebied uitgeroepen, omdat Portugal een herhaling van het fiasco van de westelijke Algarve wil voorkomen. Allemaal dingen die de prijzen opdrijven. Harry vind het maar niets en met hem spreekt de horeca. Horaca wil lawaai, knakworsten, uitbouwen, terras, nog een zaak erbij. Horeca deugt nagenoeg nooit. De Bastaard is bijvoorbeeld een van de positieve uitzonderingen.
Eens kijken, wat nog meer, ik hoorde dus van een Nederlander in Milfontes dat de gek, die alles van mieren wist, Antonio, tegenwoordig in Milfontes woont en tussen Faro en Lissabon zwerft. Van een andere Nederlander, die hem ook kende, hoorde ik dat hij een jaar of 27 is. Dat is weer een tegenvaller, want dat kan hem niet zijn.
Dat is trouwens ook nieuw voor me, al die Nederlanders hier.
Ik ga alles filmen, dus je moet maar een keer naar de video komen kijken als ik terug ben.
Portugal is nog steeds een goedkoopte-eiland in Europa, al is het niet meer zo belachelijk als in 1988, toen we een compleet maal hadden voor 500$00, toen zeven gulden, toen het pension precies zoveel kostte en toen we aan koffie, ontbijt en drankjes nog eens zoveel uitgaven. Ik kom nu niet meer rond van eenentwintig gulden, De kamer kost 1.000$00, dat is Fl. 11,-, het avondeten kost me meestal 1.200$00, dat is Fl. 13,20 en aan ontbijt en zakgeld geef ik het zelfde uit. Dan tel ik even de autokosten niet mee, zodat ik op ongeveer vier tientjes per dag uitkom. Dat betekent dat ik nu van twaalhonderd gulden kan rondkomen. Volgens mij is dat minder dan de huidige bijstandsuitkering. Dat komt goed uit, want mijn financiële toestand begint een beetje nijpend te worden. Drie maanden alleen schrijven en geen poen verdienen — het is eigenlijk een decadente levenswijze die ik me amper kan veroorloven. Het kan dus ook alleen en nog steeds in Portugal. Ja, het kan ook in Sri Lanka, Mexico of Marokko, maar hier heb ik tenminste het idee dat er nog lijnen naar de West-Europese beschaving lopen. Zo weet ik tenminste dat de NAVO aanvallen op Servië aan het uitvoeren is. Verder weet ik niet veel.
Goed, de financiële basis is iets beter dan in 1988, toen we met een RWW-uitkering in Portugal zaten. Ik vind het verbazingwekkend dat ik alles nog steeds in twee koffers heb weten te proppen. Ik ging even aan mezelf twijfelen, of ik wel voldoende kleren bij me had. Ik ben niet zoals jij, die alleen een rugzak bij zich had en zijn kleren een week droeg. Ik kan mezelf met veel moeite ertoe brengen om de andere dag schone kleren aan te trekken, maar dan douche ik die ene dag ook niet. Het kan nu wel, omdat het alleen pas zweetweer is als je op het strand tegen de muur gaat zitten, maar eind april, als het 30 graden begint te worden, zal ik toch wat vaker moeten gaan wassen. Ik heb thuis een inventarislijst van spullen die ik heb meegenomen en daar staan op: 20 paar sokken, 11 overhemden, 8 t-shirts en 14 onderbroeken. Verder nog heel veel meer en toch bleef er ruimte voor al die andere dingen. Als ik dan aan 1988 denk, met mijn twee schrijfblokken, mijn Walkman met boxjes, zodat ik blikkerig naar Eno kon luisteren... Ik heb nu zelfs een klemspotje met een spaarlamp erin bij me. En nog meer handige dingen, zoals fatsoenlijk bestek en een blikopener. Krankzinnig dat we toen hardnekkig onze broodjes zijn blijven smeren met een zakmes, zonder eraan te denken een mes te kopen... Een paar keer op reis en je weet precies wat je altijd nodig hebt. Ik zit ook trouwens nooit meer in het parkje te ontbijten. Ik heb nu een extra tafeltje gekregen, waaraan ik 's ochtends ontbijt en 's middags lunch. Mijn vliegtuigkoffer gebruik ik als safe. Hij paste met moeite in mijn auto, maar je weet nooit of ik niet tussendoor een keer naar huis moet met het vliegtuig.
Portugal is veranderd. Het land wil heel graag meedoen met de grote jongens. Meteen op de eerste dag, toen ik aankwam in Bragança zag ik al de vrachtwagen met informatie over de Euro, waar om het uur een schoolbus kinderen ingejaagd werd.
Jammer voor Rentes de Carvalho, maar zijn reisgids doopte ik in 1991 al om in 'Portugal, een gids voor ouwe lullen' toen ik zag dat de paarse trainingspakken in de kleine dorpjes uit auto's met Portugese nummerplaten stapten. Het Portugal dat hij graag wil zien ver weg in het kille Nederland, trekt zich steeds meer terug op het platteland. Al hou ik me natuurlijk wel aan zijn adviezen en zeg ik tegen iedereen 'boa tarde' of 'boa noite' en heb ik me voorgenomen echt een keer mijn schoenen te laten poetsen. Maar als ik de joggingbroeken van de patjepeeëres zie...
Waarom gingen we ook alweer naar Portugal? In 1986 was ik via Spanje Portugal binnengekomen en het verschil was levensgroot. Ik vulde op een Spaans postkantoor een betaalkaart verkeerd in. Toen ik niet begreep wat er aan de hand was trok de lokettist het luik dicht tot ik opgerot was. Ik verstond zijn gemompel niet, maar voelde het wel aan: 'Stomme kuttoerist, blijf dan thuis als je geen Spaans spreekt'. Een paar dagen later (ik was jarig) vulde ik op een Portugees postkantoor mijn betaalkaart weer verkeerd in (je mocht alleen hele duizendtallen te mogen invullen, bleek later) en toen ik ook daar niet snapte wat er aan de hand was, betaalde het meisje toch glimlachend uit en feliciteerde me ook nog eens met mijn verjaardag. Zo! Mijn hart hadden ze al gewonnen.
In Portugal snappen ze dat verhaal wel. In een van mijn moeizame driegesprekken met Harry en Pessoa heb ik geprobeerd uit te leggen wat het verschil is tussen Nederlands en Duits. De taal en het land. Dat dat ongeveer hetzelfde is als het verschil tussen Portugees en Spaans. Analogieën, dat legt altijd gemakkelijk uit, dat snapten ze dus wel. Volgens Harry liepen Duitsers ook altijd met een sjaggerijnige arrogante en tegelijk zeurderige kop en waren Nederlanders veel vriendelijker en vrolijker. Mooi, met dat soort geslijm maken ze me altijd wel blij. Toch, gisteren wel een staaltje meegemaakt. Er kwam een kerel binnenlopen. Het bleek een Spanjaard. En dan zo'n echte, zoals ze in Asterix en Obelix altijd getekend worden. Hij begon een heel verhaal tegen Harry. Die verstond er niets van omdat hij ongelofelijk snel praatte. En Spaans. Maar hij bleef gewoon doortetteren. Het gesprek strandde op het woord 'montura'. Daarvoor was hij naar Portugal gekomen. Harry wist niet wat dat woord betekende. Pessoa kon er ook niets mee. Het had iets met paarden te maken, maar niets met stierenvechten. De Spanjaard bleef doorpraten, whisky zuipend en zenuwachtig met zijn voet tegen de roestvrijstalen bar tikkend. Harry werd steeds wanhopiger en zei zoiets als 'Hou maar op, want ik begrijp je niet, je praat te snel.' Hielp niet. Ik ben op een gegeven moment weggegaan, want het moment van een slappe-lach-aanval was niet ver weg.hing ik. En al was het een klein mannetje, hij keek echt zoals in een Asterix en Obelix-album, als iemand wiens eer je niet moest aantasten door in de lach te schieten. Als de sleutelhanger was gaan piepen hing ik.
Die arrogantie te denken dat mensen je toch wel verstaan, omdat jouw taal een soort dialect is. Ik raakte een keer in een gesprek verzeild met een Fransman die hoorde dat ik schreef. 'In welke taal?' vroeg hij. 'In het Nederlands,' zei ik. 'Waarom niet in het Duits?' 'Omdat dat een andere taal is,' zei ik. 'Welnee, dat is precies hetzelfde,' zei hij. Die arrogantie, dat je een taal niet kent of spreekt en er dan toch zo'n oordeel over te geven. Ik was zo verbaasd, dat ik niet in staat was hem ter plekke te beledigen en ben daarom weggelopen. Maar goed, zelfs in het Nederlands zou me dat niet gelukt zijn. Mijn gevatte opmerkingen komen altijd pas de ochtend erna, als ik er niets meer aan heb. 'Waarom bent u gaan schrijven?' 'Zodat ik het op papier kan laten aflopen zoals het had moeten aflopen.' Dat idee.
Maar we hadden het erover wie of wat er nu veranderd was. Ik ook. Jezus, ik heb een boek geschreven. Als grap gaf ik bij de presentatie een fanclubblad uit en twee jaar later heb ik echte fans, die een afgevallen knoop als trofee mee naar huis nemen. Ik heb lof over me heen gekregen die soms zo positief was dat ik die bijna (maar niet helemaal) even onverdiend vond als de emmer stront die ook over me werd uitgestort. Vrouwen houden me aan op straat: 'Ik wilde even zeggen dat ik je boek erg mooi vond' (nou ja, twee keer) en jongens moeten even komen zeggen dat ze er niets aan vonden (iets vaker). In beide gevallen voel ik me radeloos en weet ik niet wat ik moet zeggen. Natuurlijk verandert je dat.
Wat waren we eigenlijk nog jong en naïef, toen we 27 en 28 jaar oud naar Sines gingen. Op een leeftijd dat al veel mensen moeten overdenken welke kant hun carrière moet opgaan (en dat je pensioenpremie begint te betalen, geloof ik) en of ze die vierde mond wel kunnen voeden, hadden wij net onze bul gehaald en gingen wij eens nadenken wat we eigenlijk wilden van het leven. Dat krijg je van studeren. Je wordt er een beetje wereldvreemd van, zolang je in de beschermde omgeving van universiteit en studiebeurs verkeert. We hebben bijna elke avond lange gesprekken gehad, in die tijd dat we nog toeter werden van vier flesjes Carlsberg (70 cent). Waarover gingen die ook alweer? Ik weet er niet veel meer van. Gelukkig heb ik alle brieven die ik toen aan C. stuurde gekopieerd, dus ik kan het nog wel opzoeken. Volgens mij wilde jij alle krachten bundelen en met zijn allen iets gaan doen. Daar is niet veel van gekomen. Ik heb toen het eerste verhaal geschreven dat ik verkocht heb en jij hebt vijf mooie gedichten geschreven. Geen zinloos verblijf, al met al. Maakt niet uit, dat Titaantjes-gedoe blijft universeel.Je runt IJzer in je eentje. Ik doe mijn eigen dingen en verder heeft iedereen zijn eigen winkeltje. Misschien was het te vroeg. Er gebeurt in Utrecht tegenwoordig meer dan ooit.
Ik merk dat ik op dezelfde manier aan de slag aan het geraken ben als bij De gemonteerde vrouw . Tegenover de hele wereld uitschreeuwen dat ik aan het schrijven ben. Iedereen heeft zijn manier om zichzelf aan het werk te zetten. Het verhaal van Van der Heijden dat hij boven zijn stand gaat leven om zichzelf aan het werk te houden vind ik prachtig. Dat kan ik helaas niet, ik heb iets teveel besef van geld van thuis meegekregen. Ik vertel gewoon tegen iedereen dat ik weer aan het schrijven ben zodat ik totaal gezichtsverlies riskeer wanneer ik niet met iets over de brug kom. Pas als het in de krant staat, wanneer iedereen me tot kotsens toe altijd vraagt: 'Hoe gaat het met je nieuwe boek, Jack,' pas dan raak ik aan het werk. Zeker omdat ik het idee heb dat het toch een beetje als bad taste wordt beschouwd om over je boek in wording te spreken. Of als iets dat ongeluk brengt. Al ben ik katholiek opgevoed, ik ben nu atheïstisch genoeg om ook het bijgeloof dat het katholicisme met zich meebrengt af te wijzen. En niet precies weten hoe het hoort, daar struikel ik ook voortdurend over. Naar beneden likken en omhoog trappen, dat is de vergissing die ik voortdurend maak.
Hoe gaat het verder in Nederland? Oplages steeds kleiner? Dorien alweer een nieuwe baan? Huizenmarkt ingestort? Aandelen naar beneden of juist omhoog door de oorlog op de Balkan? Nieuwe schandalen in Utrecht? Ik ben door mijn oude VN’s en tijdschriften heen inmiddels en weet nu alles over het nieuws van februari en over de trends van begin 1998.
Vriendelijke groet,
Jack
zondag 28 maart
Vanavond in de val getrapt van de invoering van de zomertijd. Ik ging om negen uur eten, maar het was al tien uur. Ik kreeg wel eten, maar voor straf was het koud. Maakte niet uit. Na het eten ben ik weer aan de bar gaan zitten en de rit over me heen laten komen. Pessoa ging al naar boven voor ik mijn eten had, dus ik heb naast een man met ouderwets uiterlijk en zijn zoontje naar het voetballen zitten kijken. Deze man zag er misschien altijd al zo uit, maar het ouderwetse uiterlijk is ook weer in. Het is wel grappig dat net in de tijd dat er veel beelden van 1974 (Anjerrevolutie) op tv en in de kranten verschijnen, die jaren-zeventig intellectuelenlook weer terugkomt: zware brillen, lang haar, een baard. Zoals Leon de Winter eruit zag ten tijde van zijn eerste boeken.
Daarna kwam er een dronkeman binnen die, zoals Harry zei, bij Fredemar heeft gewerkt. En hij wist van geen ophouden, hij ging tot acht uur door als hij eenmaal bezig was. De dronkeman had een zeer aanstekelijke lach en hij kon ook heel mooi zingen. En de rondjes vlogen weer in het rond, tot ik echt zat was en naar boven ben gewankeld. Vlak naar carnaval walgde ik van alcohol, de weken erna, toen ik ziek was taalde ik er niet naar en dan merk ik hoe snel twee, drie weken geheelonthouding hun uitwerking hebben.
Ik heb zondag vakantie gehouden. De informatie van Martin Amis uitgelezen. Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Ik vond het op het eind zo spannend dat ik misschien veel te haastig heb gelezen. Toen ik op het strand zat merkte ik dat ik mijn factor 15 was vergeten, maar ik had geen zin terug te gaan. Dat heb ik gemerkt. Mijn hele linkerkant is verbrand.
Zaterdag heb ik ook nog een bruidsstoet gezien. Ik kreeg tranen in mijn ogen toen ik de bruid zag. Ik moet tegenwoordig altijd huilen van bruiden.