Ik werd vandaag pas om elf uur wakker. Nu de industriewerkers met zijn allen in Antwerpen zitten is er niet veel meer te doen, dus de herrie om half negen is voorbij. Dat is jammer, want om elf uur mag ik blij zijn als er nog ergens brood te krijgen is.
Dat lukte gelukkig wel. Daarna mijn galão eens niet bij Vela d'Ouro, maar bij Ponto d'Encontro gedronken, dat tegenover het kasteel en de Turismo ligt. Daar trof ik een van de twee personeelsleden die daar zijn koffie met aguardente wegsloeg, ondertussen oppassend of er geen toeristen aankwamen. Hij had het stukje in de krant gelezen en vroeg wie het vertaald had. Maar een oordeel gaf hij niet.
Ik heb hem nog ronduit gevraagd of hij Antonio kende. Hij kende een paar mensen die aan de beschrijving voldeden. Degene die het meest aan het signalement voldeed was Carlos. Een visser die het met buitenlandse vrouwen aanlegde, met hen meeging naar Zwitserland, Duitsland en Nederland en dan na een paar weken terugkwam. Zo is hij ook met drugs in aanraking gekomen en getikt geraakt van een lsd-trip. Op een gegeven moment is hij spoorloos verdwenen. Dat klinkt als Antonio, maar geen woord over op tv geweest zijn, of alles van mieren weten. Maar waarom zou Carlos/Antonio me niet voor de gek gehouden kunnen hebben? En zoals Turismo-man zei: zulke mensen verdwijnen en worden totaal vergeten omdat niemand het eigenlijk kan schelen. Het zou niet erg zijn als het niet waar is, dat die Antonio die alles van mieren wist een verzinsel was van die Carlos.
Ik heb nog doorgevraagd door te refereren aan Calica, van het restaurant en Marek, de Hell's Angel. Ik had het idee dat dat nog een gevoelig punt is. Ik weet dat Marek vertelde dat zijn zogenaamde vrienden in Sines vijfduizend dollar achterover hebben gedrukt dat hij in bewaring had gegeven, het geld dat hij voor zijn Harley had gekregen. Er werd een beetje zenuwachtig gelachen achter de bar. De eigenaar moet ook nog veel van die tijd weten. Calica loopt hier nog steeds rond, maar ik denk niet dat ik haar herken. Ze is de enige met een Dobermann in Sines. Dat helpt. Op de nadrukkelijk vraag waarom ik dat allemaal wilde weten heb ik een vaag antwoord weten te formuleren.
T-man had nog wel een aardig verhaal over de tijd dat ze de fabrieken en raffinaderijen aan het bouwen waren. In die tijd, 1970-1974, werkte hier 10.000 man op een bevolking van 7.000. Dat was een ramp, met alleen maar mannen die niets te doen hadden. Niet alleen de meisjes werden binnen gehouden, mannen durfden ook niet meer op straat. Alleen maar zuipen en knokken. Vandaar de oerlelijke bouw in Santo André. Er moesten zo snel mogelijk huizen gebouwd worden voor die lui.
Mooi. Dat waren weer leuke verhalen. Ik ga nog eens vaker daar koffie drinken.
Goed weer, dus aan het strand gezeten.
Dinsdag 11 mei
Vandaag kreeg ik mijn eerste waarderende woorden, van de eigenaar van het restaurant Vasco da Gama. Het zit veel mensen dwars dat er werk genoeg is, maar dat de Sineensen toch werkloos zijn. Ook een – letterlijk – schouderklopje van een passant. Ik heb de floppie teruggebracht naar NdS, met een kaartje dat ik leuke reacties had gehad. Een half uur later stond Carlos aan de deur, omdat T-man juist iets tegen hem gegromd had als: 'Wie denkt hij wel dat hij is dat hij over Sines oordelen velt.'
Verder is de dag in grijsheid voorbijgegaan. Ik heb geen flauw idee wat ik die dag verder heb gedaan. Een brief aan Vrouwkje geschreven. Ze had mijn brief nog niet gekregen.
Ik weet het alweer. Ik heb een nieuwe CFP-folder gemaakt, met nieuws voor de abonnees. Ik was vergeten dat mijn printer en Pagemaker 4.2 niet goed samenwerken, dus de spatiëring van de letters is kut. Maar goed, mais que nada.
Verder had iemand gebeld. Dat bleek het Dafclublid met de startmotor te zijn. Hij zat in Albufeira. Dat is toch ongeveer een volle tank van Sines vandaan, dus ik weigerde hem te komen ophalen. Via de ANWB was gratis geweest. Nu wordt hij opgestuurd.
Ik ben in het uitgestorven Fredemar blijven zitten. Harry vertelde dat er nieuwe gasten waren, een Ier en een Engelse en dat zij erg leuk was.
Tegen twaalven liepen de twee het café binnen om nog wat te drinken. Harry vroeg of ze geen whisky wilden, ze keken hem verwilderd aan en ik vertaalde het voor ze. Zo raakten we langzaam aan de praat. Over de restaurantrekening die altijd hoger uitvalt dat je verwachtte, over het hoe en wat van Sines. Hoe ze hier in godsnaam terechtkwamen (na een weekje in een appartement in Portimão, via Zambujeira) Het was erg leuk. Het klikte meteen tussen ons drieën. Misschien komt het omdat ik een relatie met een half-Ierse heb gehad. Hij was timmerman, zij werkte in een viswinkel.
Ze waren van plan nog naar Lissabon te gaan, maar dat het reizen per openbaar vervoer teveel tijd kostte en dat ze dus de ander dag zouden teruggaan naar Portimão, via Sagres. Ik vertelde dat ik de andere dag naar Fatima zou gaan en dat ze gerust mee konden liften naar Lissabon, of zelfs mee mochten komen als ze daar zin in hadden. Volgde een lang gesprek over Fatima, over de maagd Maria die in de kruin van een eikenboom was verschenen, over 'de drie geheimen van Fatima', waarvan het laatste te gruwelijk was om te onthullen, maar dat volgens hen door de Paus aan Kennedy en Fidel Castro was onthuld tijdens het Varkensbaai-incident, zodat een kernoorlog werd voorkomen. Een Ierse priester schijnt ooit een Air Lingus vliegtuig te hebben gekaapt om het geheim geopenbaard te krijgen. Niet gelukt. Zo kregen we het over katholiek atheïsme. Kortom, veel gelachen.
Harry stond er ondertussen maar een beetje bij, omdat hij het allemaal niet verstond, maar hoe meer er gedronken werd, hoe gezelliger hij het vond en op een gegeven moment kwam hij erbij staan om zijn obligate lesje Portugees aan buitenlanders te geven. 'Uma cerveja!' 'Obrigadoe!' Het scheelde ook dat hij het meisje, de Engelse, leuk vond. Meisje was trouwens een groot woord. Ze was van 1965, hij van 1964.
Op een gegeven moment was het helemaal de omgekeerde wereld. Ik was de tolk. Frans, Portugees en Engels, het ging alle kanten op, zodat ik uiteindelijk Nederlands begon te praten. Het kan ook de drank geweest zijn.
Ik heb iets geleerd: kakkerlakken houden van lachen, want hoe harder we lachten, hoe meer kakkerlakken er vanachter de tapinstallatie over de bar kwamen lopen. Of misschien juist omdat ze er niet van houden.
Harry begon zijn kennis over Ierland te spuien. Dat ze er goede whisky hebben, en 'beaucoup de phantesmes', dat ik vertaalde met banshees en leprachauns. De laatste is een soort van slechtgehumeurde sarcastische kabouter. Nu staat er een grote houten hamer in het raam bij Fredemar, om noten mee te kraken. Harry is een klein mannetje en hij had een groen hemdje aan. En er hing ook nog eens groen hoedje van de voetbalclub Sporting aan de muur. Dat maakte hem helemaal een leprachaun: hamer, in het groen, 'pot-o-gold'. Daar kon zijn glas met whisky voor doorgaan.
Nog nooit zoveel kakkerlakken gezien in Fredemar.
Harry lachte met ons mee, maar het werd hem duidelijk dat we nu niet om zijn grapjes moesten lachen, dus het was een ongemakkelijk lachje. Hij bleef rondjes geven.
Pas toen we het genoeg was stelden we ons aan elkaar voor. Delia en Vincent. Om half drie lag ik in bed.
woensdag 12 mei & donderdag 13 mei
De andere dag, na het douchen en scheren, werd er op de deur geklopt. Het was Vincent met de mededeling dat het hen leuk leek om mee te gaan naar Fatima. We hebben uitgebreid ontbeten op het dakterras, uitgebreider dan ik ooit gedaan heb, inclusief koffie van beneden, al wilden de twee thee met melk voor hun onbijt. Ze keken op van de markt waar ik ze mee naar toe nam. Ze vroegen zich al af waar die betonnen bunkers die ze overal zagen voor dienden. Ik heb zo nog even het pension laten zien. Vincent was onder de indruk van de houten vloeren, maar hij had allang gezien dat het dak rot is. Ze hadden ook de antieke kasten gezien in sommige kamers. Volgens mij staat er voor tienduizenden guldens aan antiek binnen, waar industriewerkers hun vuile sokken overheen hangen. We waren het er over eens dat Sines te hard beoordeeld wordt in de reisgidsen. De historische kern is mooi genoeg om een bezoek te rechtvaardigen.
Er waren vier brieven voor me, die ik vluchtig heb doorgekeken, plus de nieuwe MacFan, wat me eraan deed denken dat ik nog een stukje moet schrijven, terwijl de aanzet en de stof die ik al verzameld had met de crash verdwenen zijn.
Om een uur zijn we weggereden. De rit zou ongeveer drie uur duren, maar dat bleek gerekend over de tolweg. Binnendoor was vier uur. Onderweg zijn we een paar keer gestopt voor koffie en om lunchinkopen te doen. Het landschap was niet bijzonder indrukwekkend in dit deel van Portugal. Af en toe had ik zelfs het idee dat we door Nederland reden.

Tegen zessen reden we Fatima binnen. Bij de tolpoort kregen we een blaadje met adviezen en waarschuwingen van de politie. Niets in de auto laten, altijd een papiertje met belangrijke adressen bij je hebben, altijd je autopapieren bij je dragen. Ik had verwacht dat we kilometers zouden moeten lopen, maar ik kon de auto in het zicht van het heiligdom zetten, al was het niet op een officiële parkeerplaats, die voor de helft was ingenomen door tenten, maar op het daarnaastgelegen stuk land dat ze aan het waren ophogen met puin. De olijfbomen lieten ze staan, zodat ik de auto bijna in de kruin parkeerde. Zo konden we onze eigen verschijning spelen.
Delia hebben we achtergelaten in de auto, omdat die wilde slapen en Vincent en ik zijn alvast even gaan kijken.
We waren nog redelijk op tijd, het was rustig. Vreemd genoeg hing er al de sfeer van een popfestival. Overal auto's. Vrachtwagens, busjes, tenten, zeildoeken. Mensen lagen in de berm van de weg (waar ze later uit verwijderd werden – gezien de rijstijl en het parkeergedragvan de gemiddelde Portugees niet onverstandig). En iedereen zat te eten. Warme maaltijden in speciale geïsoleerde bakjes, koud vlees dat met een zakmes op hompen brood werd gesneden, kant en klare broodjes. Er waren zelfs mensen die een complete keuken hadden meegebracht en voor dertig mensen kookten. Barbecues waar een heel speenvarken op kon. Ik geloof niet dat je een goede katholiek of zelfs maar een goede Portugees bent als je niet één keer naar Fatima bent geweest. Halve dorpen waar meegekomen, de Portugese hadj. Daar doorheen zigeuners die kaarsen voor de processie verkochten en matjes om op te liggen. Handelaren die kleine opklapbare stoeltjes verkochten en baseballpetjes met 'Fatima' erop. Op elke trapleuning, in elk beschikbaar hoekje zaten mannen zonder benen, moeders met kwijlende idioten, vrouwen met huilende kinderen. Overal de geur van gegrild vlees. Boven ons helicopters en, ultralights met camera's. Op straat pretparktreintjes die de pelgrims door het dorp voerden. Ze waren op hun plaats in dit Disneyland van het katholicisme.

In 1917 verscheen Maria aan drie herderskinderen in een eikenboom. Daarnaast is een basiliekje gebouwd. Op oude ansichten is te zien dat die midden in een weiland heeft gestaan, maar nu is er een groot geasfalteerd plein voor gemaakt, groot genoeg voor een miljoen mensen (ééntiende van de Portugese bevolking). Groot genoeg om er een vliegtuig op te laten landen. Midden over het asfalt loopt een marmeren strook van vierhonderd meter lang. De echte vromen, of degenen die hard iets nodig hebben van 'ons lief vrouwke', leggen deze afstand op hun knieën af, desnoods met een kind in de armen.
Biddend als een bezetene. De echte hardcores doen het op hun blote knieën. Vreemd genoeg waren het voornamelijk de jongeren die lappen rond hun knieuen hadden gebonden, of kniebeschermers onder hun joggingbroek hadden aangetrokken. Van alles wat ik gezien heb was dit het indrukwekkendst. Aan weerskanten liepen verpleegsters mee om water te geven, om mensen te ondersteunen. Er was een oude vrouw die telkens maar een paar meter volhield, een verpleegster hield haar hand vast. De herinnering hieraan alleen is genoeg om een brok in mijn keel te krijgen.
Waarvoor? Waarom? Wat is het nut hiervan, wat is het nut van religie? Mijn moeder ging naar de kerk, ze hielp eind jaren zestig Joegoslavische meisjes door vrijwillig Servo-Kroatisch te leren, ze gaf muziektherapie aan gehandicapten, ze gaf leiding aan vier volksdansgroepen met bejaarden en toch kreeg ze op haar achtenvijftigste Azheimer en was ze drie jaar later dood. Mijn vader deed geen vlieg kwaad. Hij verloor liever geld dan dat hij een zakelijk conflict met zijn broer kreeg. Hij weigerde aftrekposten te creëren zoals zijn boekhouder hem aanraadde. En toch ging hij op zijn achtenzestigste na jaren van sukkelen en een zware operatie dood. Als er een god zou zijn, waarom moesten deze twee mensen dan dood? Waarom hadden ze straf verdiend, na het grootbrengen van een gehandicapte, eerste, dochter?
Goddank ben ik niet Calvinistisch opgevoed, anders had ik vast gedacht dat het mijn schuld was, omdat ik mijn moeder meestal minder wisselgeld teruggaf dan ik in de winkel had gekregen.
Is het de pijn van op je knieën gaan, die een weldadig bad van endorfinen door je bloed laat razen, zoals anderen een marathon lopen om van andere pijn af te komen?

Midden op het nog lege plein zat een echtpaar op twee klapstoeltjes. Ze wisten waarschijnlijk iets dat ons ontging.
In een hoek van het plein was de gelegenheid om kaarsen op te steken. De enorme hoeveelheid kaarsen zorgt voor zo'n hitte dat ze binnen de kortste keren gesmolten zijn en uiteindelijk verandert het kaarsenrek, met de opvangbak voor gesmolten kaarsvet eronder in een groot naar paraffine stinkend vreugdevuur. Desondanks werden er voortdurend kaarsen in het loeiende vuur geworpen.

Hoe vromer, hoe langer de kaarsen, hoe groter de gunst, hoe dikker de kaars, hoe erger de ziekte, hoeveel meer de kaarsen. Het gesmolten kaarsvet wordt in een onderaards hol (de asociatie met de hel ligt voor de hand) opgevangen en omgezet in nieuwe kaarsen. Het gevolg is een vuilgele kaars van oneindig gerecycled, met roet vervuild vet. Ik heb er ooit in mijn huis aangestoken. Binnen vijf minuten een roetwalm in mijn kamer en een paraffineplas in de vloerbedekking.
Terug naar de auto haalden we nog een vrouw in die op haar knieën het kerkplein verlaten had en op weg terug naar de parkeerplaats was.
'She got a bit carried away,' zei Vincent droog. Ik zou waarschijnlijk best kunnen aarden in Ierland.
Delia lag nog te slapen. Er waren wat meer auto's gekomen. Tussen ons opgehoogde plekje en het officiële parkeerterrein was een soort van sloot ontstaan die natuurlijk als openluchtplee werd gebruikt.
Het grappig was dat de mensen aan de overkant dachten dat ze onbespied waren. Nog nooit zoveel witte oudevrouwenkonten gezien. Ook nog nooit zoveel meisjesbibsjes trouwens, om over het overbuurjongetje maar te zwijgen dat, ons ondertussen strak aankijkend, met zijn ventieleke uit zijn broek stond. 'The little pervert'. Vincent en Delia konden het allemaal wel waarderen, met precies dat verwrongen gevoel voor humor dat ijzer kan buigen en ijs doet breken. Vincent vertelde dat de Ieren ongelofelijk grof in de mond zijn. Hij deed voor hoe ze op het vliegveld stonden: 'This focking airplane... go fock ye'self... goddamn shite,' vijf minuten lang schelden, vloeken en vierletterwoorden. 'And this was only Delia,' besloot hij. 'They had to sedate her.'
Zo raakten we aan de praat over het Ierse temperament, de opvliegendheid enzovoort, waarmee mijn half-Ierse ex veel van haar gedrag kon verklaren. Dat klonk Delia niet overtuigend in de oren, omdat volgens haar de Ierse vrouwen juist gedwee en volgzaam waren. Braaf thuisblijven als de man in de kroeg, braaf de klappen opvangen als hij boos was en vooral niet klagen. Niets voor een 'sarcastic English bitch', zoals Vincent haar liefdevol noemde. Ik heb nogal veel over H. gepraat geloof ik. Toen ze hoorden dat het nog maar vier maanden uit was haalden ze opgelucht adem. Ze dachten dat ik zo'n gefrustreerde vrijgezel was die zijn ex na twee jaar nog niet vergeten was.
Dan wil ik ze over twee jaar nog wel eens spreken.
Delia was a-religieus opgevoed. Ze vertelde dat ze twee neven had die priester waren en die hadden haar aangeraden naar Fatima te gaan. 'No way,' had ze gezegd en nu liep ze hier. Als haar moeder er maar niet achter kwam. Ze zag de Portugese, Franse en Duitse bussen vol pelgrims. 'I thought they had another religion in Germany,' zei Delia, 'are there many Catholics there?' In ieder geval genoeg om één bus te vullen.
Via de souvenirshops (vooral de 'glow in the dark' Maria's zijn erg), zijn we Fatima ingelopen, dat in 1917 uit niet meer dan een paar hutten bestond, en dus niet veel voorstelt. Een rolletje van 1000 ISO gekocht voor in het donker en daarna een restaurant opgezocht, want al die etensluchten gaven ons honger. Dat viel niet mee, de meeste restaurants hadden een enorme rij voor de deur.
Tegen een uur of negen zijn we teruggegaan naar het heiligdom. Nu waren we te laat en konden we alleen nog maar vanaf de zijkant kijken.
Toch was het een prachtig gezicht, die honderdduizenden kaarsen in het donker.
Het gemurmel van de gebeden. De processie zelf bestond uit het ronddragen van het Mariabeeld door de menigte, voorafgegaan door een kruis, dat met tl-balken was verlicht, gevolgd door priesters en vlaggendragers van andere plaatsen met een verschijning. Ik hoorde ook nog drie Weesgegroetjes. Het laatste wat mijn moeder kon kon zeggen, geloof ik. Ondertussen werd er voortdurend een 'Ave Maria' gezongen, eindeloos lang, als in een trance, waarbij telkens als Maria genoemd werd de kaarsen omhoog gingen. Omdat mijn moeder Maria als doopnaam heeft draaiden we op haar sterfbed voortdurend 'Ave Maria's'. Ik kan ze niet meer horen. Ik geloof dat het traditie is om op een huwelijk Ave Maria te zingen. Ik ga niet trouwen.

Omdat ik aan de kant stond, stond ik midden in geruzie en gedrang van mensen die er per se langs wilden of in de verdrukking kwamen. Dat leidde wel af. Om nog maar te zwijgen van de mobielen die de hele tijd overgingen. En het was nooit Maria die het derde geheim kwam verklappen.
Vincent en Delia was ik al na drie minuten kwijtgeraakt. Na een uur of wat geloofde ik het wel en ben ik gaan rondlopen. De verteller van mijn tweede roman gaat waarschijnlijk Pedro Texeiro de Mattos heten. Ik dacht dat ik die naam zomaar verzonnen had, maar het blijkt dat dat de naam is die Boormans aans Laarmans geeft in Lijmen. Het is overigens een Portugese naam en in De gemonteerde vrouw staan ook heel veel eerbetuigingen aan ander schrijvers en boeken (nee, ik ga ze niet verklappen). Dus waarom niet. Pedro is na een verkeerd gevallen lsd-trip psychotisch geworden. En dan is het helemaal niet onlogisch dat zijn moeder hem meeneemt naar Fatima. (Alleen vraag ik me af of ik dit nu bedacht heb om mezelf een rechtvaardiging te geven dat ik naar Fatima ben gegaan.) Ik heb in ieder geval mijn ogen de kost gegeven. Er waren veel mensen die waarschijnlijk een jaar hebben moeten sparen om zich de reis te kunnen veroorloven. Met de hele familie in de laadbak van de vrachtwagen. Of soms zelfs onder drie dekens onder de overkapping van een gebouw. Dan is het heel vreemd om vijf priesters uit hun habijt te zien stappen waaronder ze een kostuum dragen en daarna de spullen in de kofferbak van hun BMW 735 te zien gooien.
Zoals ik niet van sieraden hou, maar wel van gebruiksvoorwerpen die een sieraad voor je manchetten, kamer of huis kunnen zijn, zo hou ik niet van nutteloze souvenirs. Ik heb dus acht porceleinen mokken gekocht met 'Recordação de Fatima-Portugal' erop. Daarbij is 300$00 (fl 3,33) voor een porceleinen mok een koopje. Ze bleken van de IKEA te zijn. De smakeloosheid viert overigens hoogtij in Fatima.
Geef vierhonderdduizend mensen een kaars, met een plastic cup eromheen die tegen de wind beschermt, en twee uur later heb je vierhonderdduizend mensen die een kaars met plastic cup in een hoekje van het plein zetten, tegen een boom, of onder een standbeeld. Het ziet er heel vroom uit. Er stond een man op het standbeeld van een knielende pelgrim (?) woedend tegen de mensen te schreeuwen dat ze hun rommel moesten meenemen. De kaarsen lieten het plastic smelten, de geur van smeltend pvc kwam je in vlagen tegemoet. 'Het kost kapitalen om dat plastic weer weg te krijgen, die vetvlekken blijf je zien,' schreeuwde de man.
Waarom zijn Portugezen zulke smeerlappen. En waarom is er niemand die aan de rommel denkt, aan vuilnisbakken, aan openbare toiletten? De processie is vijf keer per jaar.
Om een uur ben ik terug naar de auto gegaan. Vincent en Delia kwamen een half uurtje later. Voor we in de auto probeerden te slapen hebben we nog uren verhalen liggen vertellen. En moppen natuurlijk. De goorste en grofste kwamen van Delia. Heb je nog iets gekocht, vroeg ik. 'Two dildo's,' zei ze en liet twee pikgrote kaarsen zien. 'Two?' vroeg ik. 'I won't show you,' zei ze.
Om zes uur werd ik wakker. Het begon licht te worden, de eerste mensen kropen alweer uit hun slaapzak en tentjes. We zijn weggereden, terug naar het zuiden. Ik zou Vincent en Delia op het gunstigste treinstation afzetten, in Grândola. Onderweg ontbeten zoals Engelsen dat graag doen: met gebakken eieren en thee met melk, in een wegrestaurant dat vol hing met foto's van de eigenaar met voetballers. 'Zjoehaan Krooif. My friend,' zei hij toen hij hoorde dat ik uit Nederland kwam en wees op een foto waarop hij in een Benfica-trainingspak naast Cruijff stond. Het was ons niet duidelijk of hij een ex-voetballer was, of een sterrenjager.
In Grândola ontdekten we dat de eerste trein naar Portimão pas 's avonds om negen uur zou vertrekken. Maar voor ik dat vertelde kwamen ze met het voorstel of ik geen zin had bij hen in het appartement te komen logeren, tot ze zaterdag weer zouden vertrekken.
Ik moest daar heel lang over nadenken, omdat ik iedere keer wanneer ik uit Sines wegga van slag raak en een achterstand oploop met het bijhouden van dit dagboek en het beantwoorden van mijn brieven. Maar... waarom niet?
We zijn naar Sines gereden, waar ik gedoucht heb. Vincent bedacht dat het misschien slim was om eerst te vragen of het geen problemen zou opleveren als ze een logé hadden. En inderdaad mocht ik niet in hun appartement. Ik kon er wel een voor mezelf krijgen, voor 2.500$00. Dat is goedkoper dan de goedkoopste kamer met douche en toilet die Harry heeft.
De pauze, het weer even thuis zijn, had me echter bij zinnen gebracht en ik besloot dat het geld de druppel was en dat ik niet mee zou gaan. Ik voelde me een enorme zuunige 'Ollander, omdat het leek alsof het alleen maar om dat geld draaide.
Ik heb Vincent en Delia naar Santiago do Cacem gebracht, maar de eerste bus naar Portimão ging pas om acht uur. Ze waren er ongelofelijk relaxt onder (gepokt en gemazeld in Amerika en India), maar ik voelde me er heel schuldig onder en op een gegeven moment besloot ik zelfs alsnog mee te gaan naar de Algarve. De reactie was echter lauw en toen heb ik het definitief maar laten gaan. Ze boden me nog een etentje aan, dat ik blijkbaar opvallend zwijgend heb weggewerkt, want Delia zei dat ze nu eindelijk een manier hadden gevonden om me te laten zwijgen: door me eten te geven. Ik heb veel geouwehoerd, ik weet het.
Het afscheid was als zoals altijd onhandig. Ik ben daar toch echt niet goed in.

Toen ik eenmaal terug naar Sines reed voelde ik dat ik de verkeerde beslissing had genomen. Maar ik kan het niet, spontane beslissingen nemen. Ik kan niet van het ene op het andere moment iets doen. Ik wou dat ik het kon. Ook voor deze trip heb ik me al vanaf november vorig jaar geestelijk moeten voorbereiden. En af en toe verdenk ik mezelf ervan dat ik toch een zielige kniepert ben.
Ik mis ze nu al, die twee raren. Ze hebben me uitgenodigd langs te komen in Gallway, waar ze wonen. Of anders in Sri Lanka, waar ze vanaf september vrijwilligerswerk gaan doen. Hij les geven aan bouwvakkers, zij hulp aan jongeren. Sri Lanka. Wie weet.
Toen ik terugkwam in Sines stond Fredemar in de steigers. Harry is de buitenboel aan het opschilderen. Pessoa schildert ook mee.
Ik had drie uur geslapen, dus ik ben om tien uur gaan slapen.
Vrijdag 14 mei
Ik werd om tien uur wakker. Ik ben eerst naar Pedro gegaan om te vragen of ik mijn webpagina kon bijwerken en heb daarna ontbeten. Harry vroeg of ik wilde helpen schilderen. Hij keek hoogst verbaasd toen ik 'Non' zei. Ik moest teveel doen.
Pedro zei dat hij het niet helemaal eens was met mijn stukje in NdS, maar hij had het niet goed gelezen. Ik word er wel zenuwachtig van, van dat beleefde stilzwijgen.
Vrijdag is de dag dat mijn kamer wordt schoongemaakt, dus ik ben met mijn Vrij Nederland bij Vela d'Ouro gaan zitten. Er zaten drie blonde mensen op het terras, een jongen en twee ranke meisjes, die zusjes leken. Wat valt dat toch op, blond, in een omgeving als deze. Ik kon niet horen wat voor taal ze spraken, ze leken me Nederlanders. Er zijn er meer in Sines. Misschien moet ik die eens een brutaalweg aan spreken. Zo'n grote infiltrant ben ik nou ook weer niet.
Mijn kamer bleek al schoongemaakt, dus gewerkt, brieven beantwoord en, omdat het iendelijk weer eens mooi weer was, op het strand aan het mierenboek gewerkt. Ik kreeg een krantenknipsel uit Nederland opgestuurd over de opstandige mieren. Het was niet echt nieuws voor me, ik heb het allemaal al gelezen, maar wel grappig. Er is nu ook een plaatje op de radio dat 'Ants' heet, als ik het goed gehoord heb, tenminste. Ik kijk nu ook heel anders naar mieren. Ik zag bijvoorbeeld mannetjes die wilden uitvliegen en door de werksters terug het nest werden ingeduwd. Op het platteland zag ik nesten waarvan de ingang geblokkeerd werd door de dikke kop van een soldaat en ik zie nu ook waar de nesten hun vuilnisbelt hebben. Ik las ergens een conclusie die erop neer kwam dat mensen hun jonge mannen naar de oorlog sturen en mieren hun oude vrouwen. Straks weet ik écht alles over mieren.
Ik heb de CFP-folder laten kopiëren en heb die verstuurd. Foto's gemaakt van de schilders (Harry ging er zich speciaal voor uitdossen) en ook van Elizabet, die me daarna de koffie kado deed.
Harry raakte 's avonds niet uitgepraat over Delia. 'Si j'était plus jeune...' zei hij. Ja, wat dan? Het was wel duidelijk waarom we zoveel gratis bier kregen. Hij houdt duidelijk van klein maar fijn. Hij was stomverbaasd dat ze geen twintig was, maar vijfendertig. Ze zag er inderdaad heel jong uit voor haar jaren.
Daarna vroeg hij of ik zaterdag wilde mee-eten, met de schilders. Dat was aardig.
Gülten Özmule
UTRECHT
Sines, vrijdag 14 mei 1999
Beste Gülten,
"Nu niets menselijks mij meer vreemd is besef ik wat een last de gezochte eigen vrijheid kan zijn," schrijf je in je brief van 10 mei.
Je hebt het over jezelf, maar toen ik het las was het net alsof je keihard in mijn oor schreeuwde, alsof je tegenover me stond op straat en de woorden metershoog op een blinde muur spoot.
Vrijheid is een schaars goed en er zijn maar weinig mensen die de weelde ervan kunnen dragen. Die de weelde ervan wíllen dragen. Ik heb een paar maanden geleden besloten dat ik vrij wilde zijn. Om precies te zijn: ik heb een paar maanden geleden na maanden van verlangen naar vrijheid besloten de knoop door te hakken. Ik ben in de auto gestapt. En nu zit ik hier in Portugal. Voor drie maanden. Vijf jaar geleden heb ik hetzelfde gedaan. Na veertig dagen was ik radeloos van de eenzaamheid, de laatste week zat ik elke dag te rekenen en routes naar huis te bedenken. Nu ben ik al bijna zeventig dagen hier en loop nog steeds ontspannen door Sines, zonder opvallend veel heimwee. Ik begin het hier in Sines wel beu te raken, maar zin om naar huis te gaan heb ik nog niet. Waarschijnlijk omdat ik deze keer mezelf de opdracht gegeven heb wekelijks mijn avonturen vast te leggen en via het internet te verspreiden. Misschien omdat ik soms vier brieven per dag krijg, tientallen e-mails per week. Ik beantwoord ze allemaal.
Omdat ik weinig avonturen meemaak schrijf ik voornamelijk op wat er in me sluimert, wat ik zie en wat het betekenen kan. Wat het voor mij betekenen kan.
Ik kan de weelde, zeg maar: de last, van de absolute vrijheid ook niet dragen. Ik zoek de vrijheid en voor het zover is, voor ik die bereikt heb, verplicht ik me.
Ik wist het, maar ik besefte het niet tot je het schreef.
Ik ben niet in staat op een bankje te gaan zitten en te kijken naar de vissersbootjes die uitvaren en weer terugkeren. Ik ben niet in staat op het strand te gaan liggen en gelijkenissen te zoeken in de overwaaiende wolken, of voorbijrazende spinnen en minieme oranje mijten op het zand na te kijken.
Wat is het nut van minieme oranje mijten? Waarom raast die spin daar over het strand en heeft hij niet gewoon een web in een boom. Waarom zijn er eigenlijk spinnen? Hoe lang ligt dat zand er al, als ik een kuil van een decimeter graaf raak ik dan zand aan dat daar al tien miljoen jaar ligt? Vijf miljard?
Ik zit op het terras en er loopt een oud echtpaar voorbij, hand in hand. Ze zijn allebei verschrompeld, verrimpeld, grijs. Hij heeft kromme beentjes en loopt als Pipo. Zij heeft vorige week nog een nieuwe permanent laten zetten, ze heeft het figuur van een ui. Ze lopen hand in hand als twee verliefde pubers. Het beeld van die twee zet zich vast in je hoofd. Samen honderdvijftig jaar. Maar het betekent helemaal niets.
Ik ben niet in staat dingen te zien als dingen die zomaar gebeuren (wat zo is), en blijf betekenis verbinden aan en verbinding leggen tussen (wat onzin is).
Ik vind leven steeds vaker steeds onbegrijpelijker en steeds onlogischer.
Ik ben dinsdag 12 mei naar Fatima gereden. Fatima is een van de heiligste plaatsen van Portugal, misschien wel van de hele katholieke wereld. Op 13 mei 1917 verscheen daar Maria aan drie herderskinderen en ze herhaalde het nog eens vier keer. Zo men zegt. Vijf keer per jaar is er een processie waar enkele honderdduizenden mensen bij aanwezig zijn. Of je nu gelovig bent of niet, katholiek of niet, het is een indrukwekkende gebeurtenis. Niemand kan naar een plein met vierhonderdduizend mensen kijken die gezamenlijk 'Ave Maria' zingen en tegelijk een brandende kaars omhoogsteken zonder onder de indruk te raken. Niemand kan naar een eindeloze rij mensen kijken die op hun knieën de weg naar het heiligdom afleggen, daar omkeren en op hun knieën teruggaan zonder onder de indruk te raken. Niemand kan naar kwijlende idioten, strompelende kreupelen en huilende weduwen kijken zonder onder de indruk te raken. Zelfs van de tientallen winkels vol smakeloze souvenirs raak je onder de indruk.
Godsdienst is een bewijs dat mensen niet vrij kunnen zijn, niet vrij willen zijn. En anders is er wel het religieuze geloof in goeroes, Tineke's paranormale wereld, numerologie, Area 51, of dat het internet de wereld zal verbeteren.
De man die in Dostojevski's boek zijn persoonlijke vrijheid inruilde voor een stuk brood had gelijk.
Je kunt niet vrij zijn van jezelf. Als ik vrij van mezelf was was ik vorige week al in de auto gestapt en terug naar Nederland gereden.
Hartelijke groet,
Jack
Zaterdag 15 mei
Het was nieuw voor me om op zaterdag 12 uur aan de gegrillde sardines te zitten. Maar wel leuk. Ik heb de traditionele manier van sardines eten geleerd. Pessoa heet Luís en ik heb iets gezegd waardoor iedereeen de rest van de dag dubbel lag. Ik probeerde uit te leggen dat het eten in Portugal veel lekkerder is dan in Nederland. Dat de tomaten daar nergens naar smaken en dat we sommige dingen niet eens hebben. Ik koos alleen de verkeerde voorbeelden. Ik zei dat de tomaten naar water smaken en dat we in Nederland geen pepino's hebben. Als je dan weet dat ze in Portugal tomates zeggen als ze ballen bedoelen en pepino als ze je pik bedoelen, dan begrijp je de hilariteit wel.

(vlnr: ik, Harry, Zé, Pessoa, Harry's vader)
Toen ik terugkwam van het strand was het werk af. Harry zei dat ze bier gingen drinken en of ik zin had mee te gaan. Natuurlijk. In Vasco da Vama zijn we aan het drinken geslagen, met daarbij als borrelhapje 'peceves', een mosselachtig dier op een steeltje dat op de rotsen groeit. Het ziet er zeer onsmakelijk uit, maar smaakt lekker. Toen de lotto-uitslagen kwamen haalde iedereen zijn formuliertje tevoorschijn, maar niemand las mee. De uitslag werd opgeschreven en pas daarna vergeleken.
Dat van die pepino's en tomaten heb ik nog de hele tijd moeten aanhoren.
Zondag 16 mei 1999
Adri van der Heijden
AMSTERDAM
Sines, mei 1999
Beste Adri,
Nog niet zo heel lang geleden schreef Piet Grijs dat alle werkwoorden 'neuken' kunnen betekenen en alle zelfstandige naamwoorden 'kut' of 'lul'. Behalve 'kut' dat altijd 'kut' betekent en 'lul' dat altijd 'lul' betekent.
Na lezing hier in Portugal van De tandeloze tijd 3a en 3b, met name het hoofdstuk 'Het meisje in de jongen', heb je bewezen dat dat laatste niet meer geldt. Benieuwd hoe Piet Grijs zich daar uit redt.
Met de jaren komt de sentimentaliteit. Inmiddels kan ik aan elke datum wel een betekenis hechten. De weg van Utrecht naar Sines is inmiddels één sentimental journey. Zelfs aan een pisbak langs de Route National kleven herinneringen. (Dat klinkt obscener dan nodig is.) Ik ben weggegaan om mijn hoofd helder te krijgen, maar ik ben hiernaartoe gereden alsof ik in mijn eentje in de auto van een pasgetrouwd stel zat: de herinneringen als rammelende blikken achter mijn Daf.
Hartelijk dank voor de bemoedigende woorden. Het is wederom het bewijs dat alles al een keer eerder gebeurd is en dat er niets nieuws onder de Iberische zon is. Reve die in 1963 in Spanje op een essentieel onderdeel van zijn brommer zit te wachten en ik die zesendertig jaar later op een nieuwe startmotor en een vervanging voor de harde schijf zit te wachten. Er was toen geen mobiele telefoon, er was geen 'Steunpunt Barcelona' van de ANWB, er waren niet eens laptops. Maar in feite verandert er nooit iets.
Tja.
Ik ben een verwend kreng, want als het nodig zou zijn kon ik simpelweg een gans plukken en van zijn veren pennen maken. Zelfs zelf inkt maken zou niet zo'n probleem hoeven zijn. Maar nee. Ik ben nu zelfs al twee weken van slag omdat ik het thuisfront verzocht heb mijn gedigitaliseerde handschrift op te sturen – tot nu toe nog zonder resultaat.
Mijn ex-geliefde gaf zich in een brief over aan metaforen: de complete chaos om me heen die ik eerst heel moest maken voor ik kon terugkeren.
"Wij veranderen niet, niet van sokken en niet van bazen," citeerde je Céline. Het is zo. Ik ben weggereden uit Nederland en heb veel verwarrende zaken achter me gelaten, maar heb mezelf meegenomen. Schrijven is voor mij een kantoorbaan. Ik heb het ritme van de saaiheid en de rituelen nodig om ongestoord te kunnen werken. Twee kopjes koffie maak je met drie streepjes water en twee afgestreken schepjes koffie. Mijn brieven moeten op 90 grs. gevergeerd Conquerer chamois worden geschreven of geprint. En in de juiste envelop verzonden. Ik moet lezen in bed, anders kan ik niet slapen. Een cd kan ik pas kopen kopen als ik in minstens drie platenzaken de prijs heb vergeleken.
Het zijn niet de rituelen zelf, maar het is de behoefte eraan. Ik heb hier mijn vaste restaurants, mijn vaste pastelaria's voor mijn bica, mijn vaste dagen voor een toetje, mijn vaste dagen voor de film, mijn vaste werktijden en mijn vaste tijden voor het strand. Eén keer ervan afwijken en ik ben dagen van slag. Brood hier, kaas daar, een tomaat van het vaste marktkraampje.
Ik zou best voorgoed in Portugal kunnen blijven. Niet hier in Sines, dat een soort Etten-Leur is, maar wel in Lissabon, per vliegtuig maar twee uur van Amsterdam vandaan, een uurtje verder dan Utrecht met fiets/trein/tram. Ik heb een soort van heimwee, maar dat is eerder het verlangen naar de luxe in mijn huis, die moeiteloos naar hier te transporteren is, dan het verlangen naar de RTL's, de Volkskrant, het grijze Utrecht, de kleine literaire vijver die tot ellebogengedrang leidt, mijn familie en vrienden. Het alleen zijn stoort me niet.
Maar morgen praat ik misschien weer anders.
Het wordt tijd dat er eens een proefschrift of, vooruit, een special in VN gewijd wordt aan 'De Brabantse jeugd'. Mijn jeugd is nagenoeg identiek geweest aan die van Albert Egberts, en ik ben zo vrij aan te nemen daarmee ook met die van jou. Ik heb foto's van mij in een zinken teil, ik heb vier weken aardbeien geplukt om het verdiende geld er in vier dagen op de kermis doorheen te jagen (met stoer de vierdagenkaart van de 'keekewalluk' aan mijn broekband geniet. (De beschrijving van de methode van aardbeien 'met of zonder sluif' plukken en de wollige beschimmelde vruchten bracht zelfs de herinnering aan mijn zonnesteek omhoog en het geluid van de leeuwerikken die hoog boven je hoofd hun lied zongen). Ik kan me overigens herinneren dat in het gechloreerde zwembadwater je vingers wel binnen de korste keren schoon waren. Maar ik was ook geen topplukker.
Ik kende het verhaal al van de Ajax-supporters die (toen nog) bij Singel 262 de ruiten hadden ingegooid. Ik mocht er van Vic niet over lullen, uit angst dat anderen op ideeën zouden komen. Ik zit een beetje met dezelfde problematiek. In het boek dat ik voor eind 2000 hoop te voltooien speelt een aspirant-Hell's Angel een bescheiden, maar niet onbelangrijke rol. Het personage is gebaseerd op de ware gebeurtenissen van 1988, toen ik voor de eerste keer in Sines was. Toen hij hoorde dat ik schrijfaspiraties had bezwoer hij me nooit over de gebeurtenissen te schrijven. Het was te mooi, ik kan het niet laten. Daarbij beschouw ik nog steeds alles als materiaal. Enkele jaren geleden ging ik voorlezen op de introductiedagen van het vrouwelijke corps van Utrecht, de UVSV. In de Introductiecommissie zat de zus van een vriend van me, die het feit dat ze een schrijver kende uitbuitte door me uit te nodigen op een etentje annex vergadering in een het UVSV-huis waarin ze woonde. De vergadering tijdens de spaghetti en lambrusco ontaardde al snel in een roddelsessie die zijn hoogtepunt bereikte toen een meisje uit een ander huis, dispuut, of een andere jaarclub haar hoofd om de deur stak. Alle aanwezige meisjes slaakten enthousiaste gilletjes en riepen om het hardst dat ze moesten afspreken. Op het moment dat de voordeur in het slot viel werd ze tot op het bot afgekamd. Glimlachend werd me gevraagd of ik niet moe werd van het geroddel, waarop ik antwoordde dat het voor mij als schrijver hoogst interessant was. Alle aanwezige dames trokken bleek weg omdat ze ineens beseften dat ze met hun babbelzucht onnadenkend hun carrièrekansen binnen de vereniging en misschien wel in het leven daarna hadden verspeeld. Om het hardst begonnen ze zenuwachtig en vleiend mij te bespelen dat ik er nooit over mocht schrijven. Het was heel belangrijk voor ze, zag ik, en ik beloofde mijn mond te houden.
Achteraf denk ik dat ik daar mijn kans heb laten liggen om seks te hebben met acht vrouwen. Tegelijk.
Ik ben benieuwd hoe bleek Vic wordt als ik vertel dat ik over de Hell's Angels ga schrijven. Díe hebben pas tatoeages…
Misschien moet ik dan ernst maken met een permanent verblijf in het buitenland. Er is me een appartement aangeboden in Lissabon. In de wijk Alcântara, het 'Monmartre van Lissabon'. Dat herinnert me aan de cadeaus die ik voor mijn verjaardag en met Sinterklaas kreeg: nooit wat ik gevraagd had, maar altijd iets wat erop leek. Geen trein van Märklin, maar van Trix. Geen Lego- maar Montiblokken. Geen Mecano, maar iets nondescripts van plastic. Geen scheikundedoos van een bekend merk, maar iets van de Makro dat niet eens een deksel op de doos had. Altijd iets wat erop leek, maar het niets was, nooit het Monmartre van Parijs.
Je vindt hierbij het beloofde artikel over schrijven met twee hersenhelften dat ik opnieuw van het internet heb geplukt.
Hartelijke groet,
Jack
Weer zo'n dag die met stralende zon begon en in een gietbui eindigde. Vanaf het dakterras wel een mooi gezicht, die regenwolken die vanaf zee komen aanwaaien.
Binnengezeten, de was gedaan, drie wassen in de wabak. Volgende week is de laatste keer dat ik moet wassen. Ik heb van alles minimaal veertien bij me. Ik ben zelfs al begonnen de weekendtas te vullen voor de terugreis met weggooikleren. De eerste symptomen. Toch maar bij Harry gegeten, omdat we weer konijn hadden. 'Sem cabeça', zonder kop, vroeg ik. Ze begrepen er niets van, dat ik de delicatesse niet wilde.
Gisteravond naar Patch Adams gegaan. Die Robin Williams is ook al zo'n Eddie Murphy. Altijd hetzelfde. Ook het publiek weer hetzelfde oeverloos geouwehoer. Daarna wilde ik het dorp ingaan en wat kroegen bezoeken, echt, want Sines heeft een druk nachtleven voor zo'n kleine plaats. Ik kwam Pedro tegen en die zei het, ga maar ergens binnen, je kijkt je ogen uit. Maar ik heb het niet gedaan. Ik voel me niet op mijn gemak, alleen. Er is ook niemand die me uitnodigt. In een grote stad is het niet erg, maar in een dorp als dit...
En er is maar één ding genanter dan iemand zien die zich niet op zijn gemak voelt in zijn eentje in de kroeg en dat is zo iemand te zijn.