Helaas valt het niet mee om vanuit Sines contact te leggen met Nederland. Vandaar de vertraging. Hou er rekening mee dat dit de komende weken zo zal blijven. Het is een hoop geregel en dat is juist waar ik niet naar op zoek was in Portugal. Terwijl het het probleem om te huilen zo simpel is: bijna alle telefoons zitten met een vast snoer in de muur, zonder een stekkertje (een telephone jack, zoals de Engelsen zeggen).
maandag 8 maart

beginstand: 135.136 km
eindstand: 135.861 km
afstand: 725 km
Mijn oorspronkelijke bedoeling was om op maandag 1 maart te vertrekken. Ik hou van afgeronde getallen. Dat rekent ook een stuk lekkerder. Helaas ben ik op de laatste dag van Karnaval met mijn straalbezopen hoofd in de kou van Etten naar Leur gelopen. Zonder jas en via een route die ik me helemaal niet meer voor de geest kan halen. Het was in ieder geval niet de kortste weg. Weer zo'n gebeurtenis die het een tijdje later leuk doet als verhaal, maar voor hetzelfde geld was ik verdwaald in een van de weinige nog niet bebouwde weilanden van Etten-Leur en de andere ochtend doodgevroren gevonden met een gelukzalige glimlach op mijn hoofd. Niet dat ik me toen zo gelukzalig voelde.
Het gevolg was dat ik mijn derde bronchitis-aanval sinds september kreeg. De eerste was vlak voor Singel singel schrijfmasjien, september vorig jaar, ook al zo'n goed moment, en de tweede tussen Kerst en Nieuwjaar. Beide aanvallen heb ik niet goed uitgeziekt, maar deze keer wel. Ik moest wel, ik was tot niets meer in staat.
Dat is niet helemaal waar. Op 20 februari was het magazijn van de Dafclub in Geldrop open en ik moest wat dingen voor mijn auto gaan kopen. Dat heb ik dus gedaan: een nieuwe dynamo, een nieuwe ventilatorriem, een nieuwe startmotor, nieuwe bougies, een reservesetje aandrijfriemen (de bekende jarretelaandrijving van de Daf) en nog wat dingen die handig zijn om te hebben.
Mijn auto, een witte Volvo 66 GL stationcar uit 1978, door mij vermomd als een Daf 66 1300 Marathon stationcar, was na vier jaar probleemloos rondtoeren opeens nukkig geworden. Slecht starten, stilvallen, accu leeg, startmotor vast, slecht opladen, niet starten met startkabels, maar de andere dag weer wel, nieuwe accu weer omruilen, wisselende amperage, enzovoort. Ik ben niet bijgelovig, maar je zou er wat van denken. Dus ik besloot alles te vernieuwen.
Toen ik met de nieuwe spullen in de kofferbak wilde wegrijden, weigerde de auto weer. Met mijn zieke kop heb ik toen ik een uur onder de auto gelegen om er alvast een nieuwe startmotor in te zetten. Dat leek wel de oplossing van alle problemen te zijn. Via een omweg terug naar Utrecht gereden en onmiddellijk in bed gaan liggen. Tot en met maandag heb ik 38.8 graden koorts gehad, daarna ben ik met mijn zieke kop mijn auto gaan wegbrengen voor de jaarlijkse APK-keuring. Die zou namelijk verlopen op 14 mei, en als alles goed gaat zit ik namelijk dan nog steeds in Portugal. Ik wilde het risico niet lopen en ik denk, met de afgelopen vijf dagen achter de rug, dat het een goede beslissing was.
Afijn, ook nog de dokter gebeld die me codeïnepillen voorschreef. Dat zijn pillen met een gele sticker. Dat betekent dat ze de rijvaardigheid beïnvloeden en hij raadde me zowiezo aan om een week uit te zieken.
Vandaar dus dat ik een week later ben vertrokken. Ik heb uitgebreid afscheid genomen van iedereen. Op donderdag 4 maart zijn er wat mensen gekomen om het bier op te maken dat ik nog in huis had. Daarna zijn we naar De Bastaard gegaan, waar ik ook nog een soort van afspraak had met iemand die beweerde mijn Grootste Fan te zijn. (Het bleek waar te zijn). De avond eindigde om een uur of zes via 't Pandje in de ASP. De dag erna was ook een dag van afscheid, net zoals de zaterdag, toen ik nog een keer met H. uit eten ben gegaan. Het was nagenoeg precies twee maanden nadat we uit elkaar zijn gegaan, dus helemaal los van beladenheid was het niet. Het onvolprezen wijnarrangement bij Dendermonde deed gelukkig wel zijn werk, dus deze avond eindigde niet eens bij de ASP, maar bij de Carrafon. Het was licht toen we buiten werden geschopt. Ik ben met H. in 1995 en 1996 vijf weken naar Portugal geweest. Een week voor het op en neer rijden, vier weken van totaal onbezorgd leven, met als enige zorg: eten we vanavond goedkoop (tien gulden p.p.) of duur (vijftien gulden p.p.) en nemen we een tweede flesje wijn of niet? Het is heel raar dat ik nu alleen ga, ook al ben ik hier al twee keer eerder geweest, voor ik haar kende. Daarover hebben we het gehad, daarover en over heel veel andere dingen.
Al dat afscheid nemen en tegelijk ook nog eens de moeizame aanschaf van een elektronisch speeltje dat later het werk aan mijn boek moet gaan vergemakkelijken, zorgde ervoor dat ik zondag bijna de hele dag en ook nog eens de maandagochtend heb moeten besteden aan het regelen van de laatste dingen en het inpakken van mijn koffer. Het is ongelofelijk dat ik zo weinig vergeten ben.
Maandag ben ik rond half vier vertrokken, nadat ik de sleutel aan de tijdelijke bewoner van mijn huis had overhandigd. Zoals gebruikelijk ben ik eerst in Zundert gestopt waar ik even met mijn ouders heb gepraat. Het zijn altijd korte bezoekjes, want koffie kan er niet vanaf, sinds ze dood zijn. 'Daar staat tegenover dat ze niet meer aan je kop zeuren,' zei iemand eens en daar had hij ook weer gelijk in. Daarna ben ik langsgegaan bij mijn peetoom. De man is inmiddels ook weer 78. Bijna twee keer mijn leeftijd. Ook dat is een van mijn kleine rituelen.
Om vijf uur ben ik weggereden uit Zundert, met de bedoeling nog tot Tours te komen. Ik heb inmiddels een creditcard, dus de Formule 1-achtige hotels waren de hele nacht voor me bereikbaar. Bij Brussel ging het al mis. Om de een of andere reden ben ik linksom gereden (vanuit Nederland gezien). Dat is na 1996 al de tweede keer dat me dat overkomt. Ik kon me achteraf ook helemaal niet herinneren dat ik ergens het bord 'Parijs' gezien heb. Stom. Tijdverlies. Vlak voor de Franse grens nog een keer getankt en de jerrycan gevuld. Op naar Parijs, met naast me de onvolprezen routebeschrijving van de ANWB om via de A3 en de A86 de Boulevard Periferique te vermijden. Maar helaas waren er asfalteringswerkzaamheden op de A3, dus ik heb vrij lang vastgestaan.
Er gebeurde daar iets heel erg bizar. Ik stond op de middelste baan, omgeven door vrachtwagens, toen achter me een politiewagen met zwaailichten naderde. Ik wilde gas geven en er gebeurde eerst helemaal niets. En toen schoot opeens de weg een paar meter achteruit. Ik weet dat het onmogelijk is, maar ik voelde me echt een paar meter achteruit gaan. Ik begon als een bezetene te remmen, gast te geven, mijn auto in de vooruit en de achteruit te zetten, terwijl die politieauto maar achter me stond. Ik kan niet goed verklaren wat er gebeurde. Misschien kwam het door de vrachtwagens die allemaal tegelijk optrokken. Als je op het station in de trein zit weet je vaak ook niet welke trein er nu rijdt: de jouwe, of toch die andere.
Ik was hierdoor tegelijk op mijn hoede voor mijn geestestoestand en ongeconcentreerd. Voor ik het wist zat ik op de Péage naar Tours. Achteraf was dat nou ook weer niet zo erg, maar ik wil niet te ver vooruitlopen.
Het weer was klote. Het regende. Ik had mijn radiocassetterecorder naast me staan, met een bandje of vijftien (van de dertig die ik heb meegenomen) en ik luisterde argwanend naar het geluid van de motor (alsof die teveel toeren maakte), rare piepjes achter me, het fluiten van de variomatic, plotselinge scherpe tikken achter het dashboard en meer dingen: kortom, ik vertrouwde de auto niet. In 1995, toen ik met H. voor de eerste keer met deze auto naar Portugal reed, hebben we namelijk op de terugreis de linkerruitenwisser, inclusief arm verloren. Het probleem werd later opgelost, maar ik ben altijd voorzichtig gebleven als het regent, ik ben voorgoed bang gebleven voor het verlies van de ruitenwissers.
En terecht, ergens halverwege Tours verloor ik wederom mijn linker ruitenwisserblad. Nu was het al wel opgehouden met regenen, maar de Fransen hebben misschien wel het garen uitgevonden, maar niet het ZOAB. Zo ben ik dus met benevelde ruiten naar een benzinestation gereden, waar ze wonder boven wonder ruitenwissers (essuies-glaces) voor de Volvo 66, bouwjaar 76-81 verkochten. Ik blij, alleen was ik vergeten dat er in 1995 nieuwe ruitenwisserarmen waren opgezet, waarschijnlijk van een echte Daf. De koppelstukjes pasten niet. Ik heb toen het rechterblad maar op de linkerarm gezet en de rechterarm omhoog gedraaid, om te voorkomen dat mijn voorruit nog sterker werd beschadigd dan hij al was. Op de parkeerplaats zo'n kant-en-klaar half haantje uit het plastic gezogen (ik weet niet hoe ze die dingen klaarmaken, maar het bot wordt helemaal week), met de helft van de Griekse boerensalade die over was van zondag, weggespoeld met nog redelijke warme koffie uit de thermoskan. Ja, in je eentje is het toch een stuk ongezelliger reizen.
Tegen middernacht zag ik dat de benzinemeter aardig naar links begon te lopen. Ik rekende globaal uit hoeveel benzine er nog in moest zitten, maar gooide voor alle zekerheid het jerrycannetje leeg in de tank. Dat was een fout.
Vijftig kilometer verder, anderhalve kilometer voor de tolkassa en vierenhalve kilometer voor de benzinepomp, stond ik om half een 's nachts langs de kant van de snelweg. Zonder benzine, 800 meter van de dichtstbijzijnde praatpaal. Als er nog in het jerrycannetje had gezeten had ik tenminste naar een praatpaal kunnen rijden.
Nu was ik al niet helemaal fit meer en volledig hersteld van mijn bronchitis ben ik zelfs nu nog niet, dus ik raakte volledig in paniek. Ik kan niet tellen hoe vaak ik niet zonder benzine ben komen te staan en iedere keer doe ik het weer.
Met een auto waarin nagenoeg al mijn waardevolle spullen zaten: mijn PowerBook, mijn printer, mijn Nikon met alle lenzen, mijn geërfde compactcamera, mijn nieuwe Cybercam, filmrolletjes, videobanden, mijn lievelingskleren, veel te veel contant geld, stapels gebonden boeken, belangrijke aantekeningen voor mijn roman, verzamelbandjes muziek waar ik uren mee bezig ben geweest...
Ik las laatst dat mannen alleen van blijdschap en ontroering huilen. Ik heb een potje staan janken van frustratie.
Wat moest ik in vredesnaam doen? Eerst ben ik naar het tolstation gelopen, waarvan ik de lichten al zag, maar toen ik na een paar honderd meter achterom keek, meende ik mijn auto achteruit te zien rijden. Dat was mogelijk, want ik de weg liep omhoog. Als een debiel ben ik teruggelopen, met nachtmerries van uiteengereten vrachtwagenchauffeurs en brandende wrakken in een kettingbotsing, alleen omdat ik vergeten was mijn auto op de handrem te zetten.
Dat laatste bleek inderdaad het geval, maar de auto stond nog gewoon op de plek waar ik hem gelaten had. Het was gezichtsbedrog, door de lichten van de passerende auto's.
Omdat ik de auto niet meer alleen durfde te laten, ben ik begonnen hem naar het tolstation te duwen. Nu staat een Daf nooit echt in zijn vrij. De rubber aandrijfriemen zitten altijd met de transmissie verbonden, dus duwen is altijd zwaar. Maar dan een Daf bergop duwen... in je eentje... terwijl de vluchtstrook afloopt naar de berm...
Ik heb nog geprobeerd mensen aan te houden, bedankt, al die Nederlanders die keurig passeerden, zonder te stoppen. Achteraf neem ik het ze niet kwalijk. Juist vanwege mijn angst voor onbetrouwbare lui langs de snelweg durfde ik niet weg bij mijn auto.
Om twee uur 's nachts, anderhalf uur later had ik mijn auto zestig meter verder gekregen. Telkens reed hij de snelweg op, of reed hij zich vast in de berm.
Ze hadden Sysifus geen zwaardere straf kunnen geven, dan hem op te zadelen met een Daf zonder benzine.
Na anderhalf uur was ik al een paar keer op mijn gezicht gevallen, was mijn rug blauw en kon ik geen pap meer zeggen. Ik heb staan schelden en vloeken op alles en iedereen. Maar ja, ik was die sukkel die de benzine op de Péage te duur vond.
Kort daarna stopte er aan de overkant een bestelbusje. Redding. Ik dacht dat het de Franse WegenWacht was, maar die bestaat niet. Het was de 'Sécurité' van de Péage. De aardige beambte zette wat pionnetjes rond mijn auto en bracht me met jerrycan naar het benzinestation. Dat was het enige wat hij kon doen. Hij mocht me niet slepen, hij mocht zelfs geen jerrycan met benzine bij zich hebben. Omdat ik mijn creditcard was vergeten en ik een portemonnee vol briefjes van honderd Franc had die niet meer geldig waren, moesten we weer terug naar mijn auto. En goddank, drie kwartier later en twee keer met toestemming te voet de snelweg overgestoken kon ik gaan.
Dus niet.
Toen ik probeerde te starten maakte de startmotor een ratelend geluid. Nadat ik er een mep op gaf deed hij helemaal niets meer. Nu was na bijna twee uur de accu ook al aardig aan het leegraken, maar ik vertrouwde het helemaal niets.
Godallemachtig. De beveiligingsbeamte wist niets anders meer te bedenken dan de 'Dépannage' te bellen. Die zou er binnen een half uur zijn. Ik moet er wel heel erg wanhopig hebben uitgezien, want hij wenste me 'Bon courage' toen hij vertrok. Ik voélde me in ieder geval erg wanhopig.
Een half uur later stopte er inderdaad een auto, maar dat bleek onze beambte te zijn. Die heeft nog een uur achter me gestaan met zijn zwaailicht aan, tot het garagebedrijf er was. In de tussentijd heb ik zelfs nog geslapen. Met behulp van zijn accu startte mijn auto probleemloos. Hij draaide nog wat schroefjes aan die los schenen te zitten (dat staat nog op de rekening) en we waren klaar.
Omdat ik lid ben van de WegenWacht, lees ik vaak die ongelofelijk truttige ingezonden brieven in de Kampioen. Ik ga me daar niet aan bezondigen, maar wat ben ik blij dat ik sinds 1996 een Internationale Reis- en Kredietbrief (IRK) heb. En dat ik de afslag naar de RN heb gemist.
Afijn, om tien voor half zes lag ik in Tours-Nord in bed in een Formule 1-hotel. De vogels floten al. Voor straf geen hotel met douche en wc op de kamer, voor straf geen ontbijt. Daar had ik in ieder geval de ruitenwissers al mee terugverdiend.
dinsdag 9 maart

beginstand: 135.861 km
eindstand: 136.408
afstand: 547 km
Na deze opeenstapeling van onheil, voornamelijk veroorzaakt door mijn eigen stommiteit, zou je bijna vergeten waarvoor ik ook alweer met de auto naar Portugal was gereden.
Ik ben druk bezig met het afronden van het voorbereidende werk op mijn tweede roman. Dit boek wordt een losstaand, maar toch organisch ermee verbonden, vervolg op De gemonteerde vrouw (op 9 maart precies 2 jaar geleden verschenen).
Het boek begint met de mededeling dat Chris Verhaeren, na een dolle rit in zijn eentje, zijn auto kapot rijdt bij Porto Branco (losjes op Sines geïnspireerd).
Waarom deze autorit?
Op 13 maart 1994 ben ik met een vriend naar Portugal gereden. Ik, omdat ik het niet kon verdragen in hetzelfde land te zijn als een bepaalde vrouw. Hij, omdat hij het niet kon verdragen dat een bepaalde vrouw in Lissabon was zonder hem. Zonder enige noemenswaardige voorbereiding zijn we in de Volvo 66 die ik toen had, een groene met een 1100 cc motor, en met volstrekt verouderde wegenkaarten naar Portugal gereden. Een roadmovie op zich. Ik heb hem toen in Lissabon achtergelaten en ben doorgereden naar het zuiden. Ik was op weg naar Tavira, aan de Algarve, toen ik vlak bij Sines een kapotte verdelerkap kreeg. Dus ik zag dat maar als vingerwijzing en bleef in Sines.
Waarom Sines? In 1986 heb ik voor de laatste keer dat het mogelijk was een Interrail-reis gemaakt. (Dat is inmiddels veranderd, boven de 25 kun je tegenwoordig weer: zie het boekje 'Onderweg ben je nergens', dat rond deze tijd bij Podium moet verschijnen.) Toen ik in Lissabon was hoorde ik dat het mogelijk was om complete huizen voor weinig geld te huren aan de kust. Toen ik in 1988 afstudeerde ben ik met Willem Desmense, die ik toen niet heel erg goed kende, twee maanden naar Portugal gegaan om heel romantisch de schrijver te gaan uithangen. Op zoek naar de ideale plek stapten we per ongeluk te vroeg uit de bus, in Sines. We zijn toen maar gebleven, en huurden een kamer in het goedkoopste pension van Sines. (En de eigenaar sprak Frans, ook niet onbelangrijk.) Er gebeurden toen de krankzinnigste dingen in die twee maanden in Sines. Ik heb altijd met heimwee naar die maanden terugverlangd, vandaar dat ik in 1994 terug ben gegaan. Om in het buitenland eindelijk weer eens te gaan werken aan die verdomde roman, waarvoor ik inmiddels al een gesprek had gehad bij Nijgh & Van Ditmar. Dat lukte inderdaad en tijdens mijn tweede lange verblijf in Sines dijde het boek verder en verder uit. Ik ging een roman schrijven die uit één lange flashback bestond van een Nederlander die stierf aan een verstopping op de zolder van een verlopen pension en in die ene hele nacht terughaalde wat er de afgelopen tien jaar gebeurd was en hoe het zo had kunnen komen. (Je raadt het natuurlijk al: mijn uitgever, in de rol van objectieve buitenstaander, zag dat ik twee romans door elkaar aan het schrijven was en raadde me aan gewoon twee romans achter elkaar te schrijven. Dat levert ook meer op. Ook voor mij.) Daarom ben ik nu terug in Sines, om research te doen, om rustig te kunnen werken, niet afgeleid door Nederlands gezeik. En om mezelf te beschermen tegen alle verleidingen op het gebied van eten, drank, drugs en vrouwen.
Ik wilde dus deze autorit, die ik al drie keer in gezelschap heb gemaakt, in mijn eentje overdoen om enigszins proberen in te voelen wat Chris Verhaeren gevoeld kan hebben. Nadat hij iemands dood op zijn geweten heeft.
Dat is dus niet gelukt.
Ook op dinsdag ben ik maar met één ding bezig geweest. Kom ik er wel?
Ik vertrok rond half een uit Tours-Nord. Voor ik wegreed maakte ik de ramen schoon en, al scheen de zon, ik controleerde nog eens de enige ruitenwisser. Die prompt afbrak.
De eerste honderd kilometer ben ik dus met maar een ding bezig geweest: ik moet ruitenwissers hebben. Bij de eerste garage in Tours zelf, een soort van Kwik-Fit (Kwik-Fit is een kutzaak), konden ze me niet helpen.
De Route Nationale na Tours, en zeker na Poitiers, is zo goed dat je bijna gek bent als je nog over de Péage gaat en de kans om een garage te vinden is oneindig groter. Halverwege Tours en Poitiers, het was inmiddels beginnen te regenen, zag ik een groezelige garage met veel wrakken. In de hoop dat ik daar misschien een compleet setje ruitenwisserarmen kon vinden ben ik gestopt. Twee even groezelige mannetjes luisterden naar mijn baguette-Frans ('J'ai une problème avec les essuies-glaces'.) en vertelden dat ze me niet konden helpen. Ik denk dat mijn redding was dat ik een DS 19 cabrio met hardtop zag staan en daar vol bewondering onbegrijpelijke vragen over stelde, want voor ik kon wegrijden kwam een van de mannetjes naar buiten met een enorme doos vol koppelstukjes. Uiteindelijk vond hij er één dat min of meer paste, al stak de ruitenwisser nu vijf centimeter boven het dak uit. Maar zoals ik al treffend opmerkte: 'C'est mieux que rien.' En hij hoefde er niets voor te hebben.
Op zich had ik het zo gered, maar vlak voor Poitiers zag ik gelukkig een Volvogarage. Met handen en voeten legde ik het probleem uit. Dat de bijgeleverde koppelstukjes niet werkten. En de baas van deze garage kwam op het lumineuze idee om de ruitenwisserarmen op de slijpmachine te leggen en bingo: het werkte.
En ook deze garagiste hoefde niets voor zijn diensten te hebben. Hij had al jaren geen 66 meer gezien. De tranen sprongen wederom in mijn ogen. Deze keer wel van ontroering.
Ik hoef natuurlijk niet te vertellen dat het toen ophield met regenen.
De rest van de reis ging van een leien dakje, op een klein beetje verkeerd rijden bij Bordeaux na. Vlak na Poitiers werd ik trouwen nog aangehouden door de politie. Ik was blij dat het bij de controle van mijn papieren bleef. Ik had er niet aan moeten denken dat ik mijn twee koffers, rugzak, weekendtas, plastic tassen met tijdschriften en koffertje met camera's had moeten uitpakken. Het was trouwens precies op de plek waar ik in 1996 met een haarspeld van H. de afgebroken motorkapophanging van het autootje repareerde.
Ik ben niet meer gestopt verder. Ik had nog een fles aardbeiendrinkyoghurt en een reep pure chocola met hazelnoten bij me. Dat heb ik van On the Road van Jack Kerouac. Die schrijft ergens ook dat je genoeg hebt aan chocolade, noten en vanilleroomijs om essentiële voedingsmiddelen binnen te krijgen als je onderweg bent. Jaja, ik en mijn roadmovie.
Ik was om half acht bij Bayonne en besloot niet door te rijden naar Spanje, maar vroeg te gaan slapen en lekker rustig aan te doen. Voor het eerst in lange tijd een Big Mac lekker gevonden, weer een nieuw soort ketenhotel geprobeerd en gedoucht en in een lekker hard bed om half elf in slaap gevallen.
woensdag 10 maart

beginstand: 136.408 km
eindstand:136.772 km
afstand: 364 km (afstand op de autoambulance niet meegeteld)
Na een uitgebreid ontbijt (voor Franse begrippen), de ramen gezeemd en om half elf op naar Spanje. Omdat ik gek ben op de zee bij Biarritz, wilde ik via de lokale weggetjes naar Hendaye, de Spaanse grens. Dus eerst nog een halfuurtje wanhopig rondjes gedraaid op de Z.I.'s, de Z.A.'s en hoe al die walgelijke gebieden ook heten waarmee de provinciesteden in Frankrijk zijn omgeven. Ik geloof dat ze dit soort bebouwing in Nederland ook willen gaan toestaan, net terwijl ze het in Frankrijk willen gaan omkeren. Je ziet het aan die dorpjes waar je doorheen rijdt. Ze gaan helemaal dood. Een bakkertje, dat is het enige wat er overblijft. Tja. H. zei vaak dat ik veertig jaar te laat geboren ben. Ik geloof het soms ook.
In St. Jean de Luz heb ik een paar kaarten verstuurd, mijn verouderde biljetten omgewisseld, een fles water gekocht en daarna genoten van het uitzicht. De Frans-Spaanse grens passeren stelt ook niets meer voor en de kilometers door Baskenland naar Donostia (San Sebastian) zijn deprimerender dan je je kunt voorstellen. Het is één aaneenschakeling van industrie, wegen en grauwe gebouwen. Iets van twintig kilometer aan een stuk, onafgebroken.
Kun je daar iets mee? Ik heb overigens van die hele rit nauwelijks foto's of video-opnamen gemaakt. Van de ene kant omdat mijn kop er niet naar stond, van de andere kant omdat het te gevaarlijk was. Ik twijfelde nog even aan mijn eigen capaciteiten, met die rare ervaring bij Parijs in mijn achterhoofd, omdat ik voortdurend naar de vluchtstrook schoof, maar er stond een keiharde zijwind. Even een bandje pakken en ik zat al bijna in de vangrail. Een keer zag ik het stof zelfs opstuiven achter me en dat is geen leuke ervaring bij 130. Afijn, de wind verklaarde ook waarom het autootje zo moest zwoegen.
.
Misschien is het maar goed dat ik geen tijd had om na te denken. Van nadenken is nog nooit iemand gelukkig geworden. H. vroeg nog voor ik vertrok of ik dan weer zo'n lekkere tortilla ging eten waar we dat de vorige vakanties hadden gedaan en sentimentele lul die ik ben, ik ben naar die tent op zoek gegaan. Het was na Gasteiz (Vittoria) wist ik. Eerst moest ik een van de prachtigste stukken op de deze weg passeren, wanneer je door een pas gaat en daarna rechts van je het dorpje Pancorbo ziet liggen.
De autovia's in Spanje worden omzoomd door 'areas de descanço', plukjes bebouwing, benzinepompen met restaurants en hoerententen. Ze lijken allemaal op elkaar, dus ik heb dat restaurantje niet meer gevonden. Ik denk omdat het vervangen is door een enorm nieuw hotel met restaurant. Maar zo wilde ik het niet.
Stug ben ik wat van die benzinepompen annex smoezelig restaurants gaan afzoeken, tot ik besloot het dan maar te laten zitten en terend op mijn ontbijt in één ruk naar Portugal te rijden. Maar eerst wilde ik nog even pissen.
En daarna weigerde de startmotor dienst. Ik had godverdomme net 350 kilometer gereden, ik had er nog 250 te gaan. Een nieuwe startmotor. Eerst heb ik er gefrustreerd op staan meppen, waarna ik even aan de pluskabel trok om te kijken of die wel goed vast zat. Niet dus, die was afgebroken. Op de achterbank had ik mijn rugzak, vol met gereedschap, dus ik ben begonnen om aan het einde van de pluskabel zelf een oogje te maken. Voor wie niet technisch is: in je auto loopt er een rode dikke kabel rechtstreeks van de accu naar de startmotor (démarreur, motor de erranque). Dit omdat die bij het starten veel stroom trekt. Zoveel, dat er een heel goed contact moet zijn en met het oogje dat ik aan de kabel wist te fabriceren lukte dat niet. Tijdens mijn gepruts, waarbij nagenoeg al mijn reservelampen kapotvielen, verdween het moertje om de kabel vast te maken, zodat ik gedwongen werd de startmotor los te koppelen. Daarna ben ik nog een half uur bezig geweest en ik kreeg helemaal niets voor elkaar, behalve dat nu mijn rechterhand nog vol snij- en schaafwonden zit.
Toch had ik mijn twijfels over wat nu precies het probleem was. De pluskabel, of toch de startmotor. Nu was het gelukkig nog klaarlichte dag en ik stond op een parallelweg in het zicht van een tankstation, dus met startmotor en belangrijkste kostbaarheden onder mijn arm ben ik naar het tankstation gegaan. De pompbediende sprak tien woorden Engels, maar dat was genoeg om het steunpunt Barcelona van de ANWB te bellen. Ondertussen stond het Playboy Channel op. Dat was wel gezellig, mooie blote vrouwen op t.v. Vrouwen tanken zeker nooit in Spanje. Ik moet weer heel wanhopig geklonken hebben, want ik werd te woord gestaan alsof ik over de kop geslagen was en de stoffelijke resten van mijn schoonmoeder in een verzegelde kist naar huis zouden worden gevlogen. Was wel prettig. Ik heb het probleem keurig uitgelegd en inderdaad, na veertig minuten kwam de sleepdienst met een auto-ambulance, met weer twee van die groezelige mannetjes. Ze spraken echt geen woord over de grens dus ik moest het weer met mime en mijn schamele vijftig woorden Spaans oplossen: dat de startmotor gloednieuw was en niets meer deed en dat ik erop gemept had en dat daarna de pluskabel was afgebroken.
Afijn, ze laadden het autootje op en daar gingen we, naar Palencia. Ondertussen ratelden ze druk tegen me en ik begreep er geen ene moer van.
Mijn auto werd bij de garage afgeleverd en op het kantoor van de sleepdienst kon ik naar Barcelona bellen, zodat ik tenminste een beetje kon communiceren. Dat was maar goed, want volgens de garage was het probleem heel simpel: de startmotor was erafgevallen.
Goddank heb ik toen kunnen uitleggen dat ik die er zelf afgehaald had. Grote verbazing. Waarom had ik dat gedaan? Omdat de pluskabel afgebroken was. Aha: dan repareren we de pluskabel en dan zijn we klaar. Maar helaas zijn we al dicht, dus dat kan pas morgen.
Daar stond ik dan, midden op een industrieterrein in Palencia. Gelukkig was er een gloednieuw pension tegenover de garage. Vast van de neef van de monteur, maar goed, het bed was goed, de kamer schoon en het eten goed (maar natuurlijk kreeg ik, toen ik om bier vroeg, een literkan Carlsberg even duur als mijn biefstuk).
donderdag 11 maart

beginstand: 136.773 km
eindstand: 137.058
afstand: 285 kilometer
De andere ochtend kon ik wegrijden. . De auto startte probleemloos. Was het dan toch de pluskabel geweest? De laatste zaken werden nog even geregeld met de ANWB (ik ga toch echt geen brief schrijven, maar god, wat ben ik blij dat jullie bestaan) en op naar Bragança.
Onderweg ben ik keer gestopt om een tortilla te eten en toen merkte ik dat er toch meer aan de hand was: bij starten maakte de startmotor een ratelend geluid. Niet goed. Met angst in mijn hart ben ik dus naar Portugal gereden, zonder verder te stoppen. Zonder verder nog te eten, zonder iets te drinken.
Toen ik het eerst bordje Portugal zag sprongen de tranen weer in mijn ogen. Voor het eerst weer in Portugal zonder H. Waar was ik aan begonnen. Vlak voor ik Spanje uitreed toch nog maar gestopt om te tanken. De benzine kost in Spanje 106 peseta, dat is minder dan fl. 1,50 en ik kon me herinneren dat hij in Portugal net zo duur was als in Nederland. (Dat bleek achteraf mee te vallen: 160 escudo, dat is fl. 1,75). Gelukkig startte de auto.
Portugal binnenrijden bij Bragança dat is een hele ervaring, zelfs nu de wegen redelijk in orde zijn of opnieuw geasfalteerd. Het zit hem ook meer in de geur die er hangt. Het is een typische zoete lucht. Ik weet niet waar hij vandaan komt. Er staan geen eucalyptusbomen bij Bragança en het is geen dennenlucht. Ik ruik het alleen in de bergen. Ik weet nog hoe ik met H. in 1995 Portugal binnenreed. Ze rook de lucht en ze was meteen verliefd op het land.
Sentimentele hond als ik ben... afijn, ik wist dat dat zou gebeuren.
Een kamer genomen in Residencial Poças, waarvoor de Rough Guide waarschuwde dat het er in de winter ijskoud kon zijn en dat sommige kamers erg gehorig waren. Dat heb ik gemerkt. De dochter van de eigenaar, gehuld in een paarse stretch-jeans en een zilveren lurex truitje, sprak goddank Engels, zodat de formaliteiten wat minder moeizaam verliepen. Ze zag er erg disco uit voor deze stad die de Portugezen omschrijven als 'nove meses de inverno, tres meses de inferno'. Negen maanden winter en drie maanden de hel. Ik moet zeggen dat ik die hel met H. beter heb doorstaan dan de winter. Ik lig toch liever wakker van de hitte dan van de kou.
Ook mijn wandeling door Bragança was tamelijk weemoedig. Het was maar goed dat het nog steeds koud was en het stadje niets van de gemoedelijke gezelligheid uitstraalde die ik er twee keer met H. heb genoten. Ons vaste restaurant Big Bob had zich omgedoopt tot Frango Bob's, maar het terras was niet ingericht.
De tijd een beetje gebruikt om mijn koffers opnieuw in te delen, de vuile was op te bergen en schone kleren tevoorschijn te halen. Er stond een ventilatorkacheltje ter grootte van een wekkerradio op de kamer, maar het enige waartoe het in staat was, was het laten springen van de stoppen.
's Avonds in een nieuw restaurant gegeten, Adega Mourisca, dat helemaal op biologisch-dynamische principes is ingesteld. De groenten en het vlees komen allemaal van de eigen boerderij. Ik moet zeggen dat ik de lekkerste karbonade ooit heb gegeten daar. Een aanrader voor de Rough Guide.
Ik weet dat je niet mag klagen voor een kamer inclusief douche en toilet en ontbijt voor 2.000 escudo (hfl. 22,-), maar mijn god, wat heb ik een kou geleden. Ook die opmerking van lawaaierigheid werd bevestigd toen midden in de nacht onder mijn raam twee auto's frontaal op elkaar klapten. Tenminste, zo klonk het, en zo verscheen het in mijn droom. In werkelijkheid reed waarschijnlijk iemand met zijn zatte kop op een dranghek rond een opengebroken plek, waarna dat door het raam van een winkel werd geslingerd. Wat ik droomde dat de sirenes waren was het inbraakalarm. Toch vreemd hoe een gebeurtenis van buiten met terugwerkende kracht onderdeel van je droom wordt.
vrijdag 12 maart

beginstand: 137.058 km
eindstand: 137.750 km
Afstand: 692 km
In 1995, toen ik voor de eerste keer met H. in Portugal was, hadden we ons voorgenomen op bezoek te gaan bij Gerrit Komrij. Ik dacht dat hij in Oliveira do Hospital woonde, dus vanuit Coïmbra gingen we op weg. Vlak voor onze bestemming zag ik een gele Volvo 66 GL stationcar staan. Ik ben onmiddellijk gestopt om een foto te maken voor de rubriek 'Dafs in het buitenland' voor de Variomatic, het blad van de Dafclub. De eigenaar Luis, die bij een garage werkte, staat samen met mij op de foto. Omdat de startmotor nog steeds raar deed leek het me slim bij hem langs te rijden. In de Variomatic had ik gelezen dat hij in Nederland een Volvo 66 was komen ophalen voor onderdelen, dus misschien kon hij me wel een reservestartmotor meegeven. Tegelijk kon ik langs Vila Pouca de Beira te rijden, waar Gerrit Komrij wel zou wonen en nog steeds schijnt te wonen, al zegt iedereen dat hij weer in Nederland woont.
Via het Douro-gebied (het reisdoel voor H. en mij voor onze derde Portugalreis die we nooit gemaakt hebben) kwam ik vrij snel bij Venda de Esperança, waar vlakbij volgens mij Luis woonde. Dat bleek nog een flink stuk verder te zijn en de omgeving was de afgelopen vier jaar ook flink veranderd. De garage was een brommer- en motorgarage. Er zaten twee oude mannetjes in hun 40 km autootje te wachten en een van hen vertelde dat Luis er zo aan kwam.
Wachten dus, en die tijd gebruikte ik om mijn voorruit schoon te maken (ik ontdekte dat er een barst in zat) en een nieuwe lamp in te draaien. Want ook een van de gloednieuwe duplolampen had het begeven.
De Luis die na een half uur kwam was niet de Luis die ik bedoelde. Na veel gepalaver kreeg ik het advies naar het dichtstbijzijnde café A Tilha (geloof ik) te gaan. Daar zou hij wel komen. Ook daar heb ik proberen uit te leggen wie ik zocht en ook daar kreeg ik het advies te wachten. Hij zou binnen vijf minuten arriveren. Het was nog waar ook.
'Hey, I believe I'm in a picture with this car outside,' hoorde ik achter me. Zijn haar was in een matje gegroeid, maar verder was hij geen steek veranderd. Ik legde hem het probleem uit en volgens hem kon het geen kwaad. Voor de niet-techneuten: op een motor zit een groot tandwiel dat als vliegwiel werkt. Op een startmotor zit een klein tandwieltje dat op dit grote tandwiel past. Als je start (sleutel in het contact omdraaien) komt dit tandwiel naar buiten en draait het vliegwiel rond tot de motor begint te draaien. Als je dan de sleutel loslaat schiet dat tandwieltje van de startmotor weer terug. Als dat niet gebeurde, zou de motor de startmotor mee laten draaien die daardoor meteen kapot zou gaan. Wat er nu bij mijn auto gebeurt, is dat het tandwieltje van de startmotor, de 'bendix', zoals iedereen hem hier noemt, niet snel genoeg teruggaat. Hij ratelt dus nog even over het vliegwiel. In het minst erge geval slijt daardoor de bendix zo snel dat hij niet meer pakt en het vliegwiel niet meer rondgedraaid krijgt. Daar kan ik deze drie maanden nog wel mee leven. In het ergste geval beschadigt de bendix het vliegwiel en dan is de motor naar zijn mallemoer (nu zou ik er toch graag een 1400 cc motor uit een Volvo 340 in willen laten leggen, maar dat hoeft van mij niet per se meteen).
Luis begreep mijn probleem en hij vertelde dat hij zijn stationcar in de soep gereden heeft, dus wat hem betrof mocht ik daar de startmotor wel uithalen. Het wrak stond bij twee Nederlanders, een paar kilometer verderop. Maar eerst moesten we onze hernieuwde kennismaking vieren. Met een glas wijn natuurlijk. Hangend aan de bar vertelde hij een en ander over zijn leven. Wat ik de vorige keer niet gezien had (ik dacht dat hij zijn arm had gebroken), was dat hij een verlamde linkerarm had. Elf jaar geleden was hij met hoge snelheid met zijn brommer tegen een andere brommerbestuurder gereden. Ze hadden er allebei een verlamde linkerarm aan overgehouden. Nu begreep ik waarom hij een Daf had. Hij stelde voor om naar zijn huis te gaan en samen een jointje te roken. Ik moest hem teleurstellen. Ik was waarschijnlijk de eerste Nederlander die hij tegenkwam die niet blowde. (Ik heb het weleens gedaan, maar ik word er altijd ziek van en omdat je sigaren niet inhaleert schiet de nicotine meteen als een raket naar mijn hoofd. Qua roesmiddelen hou ik het bij alcohol.) Daarna vroeg hij wat ik eigenlijk ging doen, die drie maanden in Portugal. Ik vertelde dat ik aan mijn tweede roman ging werken. Luis bleek ook een schrijver. Hij was dichter. Zijn thema was het gevecht met de duivel dat iedereen voert. Ik kon niet zo snel het thema van De gemonteerde vrouw bedenken. Misschien dat iedereen zijn bestaan op zijn eigen wijze rechtvaardigt, door te liegen of dingen mooier te maken? Hé, ik ben alleen maar de schrijver, geen literatuurwetenschapper of recensent.
Eigenlijk is het jammer dat het gesprek een beetje oppervlakkig bleef. We zijn daarna naar zijn Nederlandse vrienden gereden. Luis vroeg smekend of hij mocht rijden. Ik moest helaas hem teleurstellen. Verzekeringstechnisch was het niet in orde. Hij was ook echt teleurgesteld en tegelijk zo blij als een kind dat hij weer eens in een Daf had gezeten.
Zijn vrienden Frank en Mathilde woonden in een houten bouwkeet vlakbij. Frank, die eigenlijk Brits is, had een prachtige roze chevrolet uit 1963 in een schuur staan, die verder gevuld was met onderdelen voor Opel Olympia's, waar Portugal nog van vergeven is. Verder stonden er ouwe Mercedessen, Rekords, BMW's en twee Volvo's. Ik heb Luis teruggebracht naar huis en ben teruggereden om de startmotor eruit te halen. Maar ja, op het moment dat ik aan kwam rijden begon het als een bezetene te regenen. Normaal zijn december en januari de regenmaanden, maar die zijn extreem droog geweest in Portugal. Vandaar dat iedereen blij was met de regen. Behalve ik, want ik heb het idee dat ik sinds 1997 al geen normale warme dag zonder regen meer heb meegemaakt. En ik moest die startmotor eruithalen.
Terwijl we wachtten tot de regen ophield vertelde Frank dat hij normaal in de zomer in Nederland met een zweefmolen rondtrok en dat er van veel van de plannen die ze hadden in Portugal nog niets was terechtgekomen. Ze zaten precies in het verkeerde deel van Portugal voor de onderdelenhandel die ze hadden willen beginnen. De mensen waren te arm. Ondertussen belde Mathilde rond om uit te zoeken waar Komrij nu precies woonde. Niemand thuis. Wel veel Nederlanders in de omgeving.
Terwijl ik even later in de miezer stond te zwoegen op de startmotor en een spanningsregelaar dacht ik: 'Wat ben ik in godsnaam aan het doen. Ik was op weg om te gaan schrijven, niet om te gaan staan sleutelen.' Toen besloot ik om een reservestartmotor uit Nederland te laten komen. Ik heb godverdomme toch garantie? Toen werd het ook nog eens donker.
Ik heb het smeer en het bloed van weer een nieuwe wond van mijn handen gewassen en heb wat geld achtergelaten voor Luis, voor de onderdelen. Mathilde vertelde dat Luis het goed kon gebruiken. Door het ongeluk waren al zijn kansen verpest. Hij had in Canada gewoond, sprak goed Engels en was nu invalide. Bij het ongeluk waren de zenuwen tot in zijn hals losgescheurd waardoor hij ook nog eens elke dag helse pijn leed. Vandaar dat blowen, natuurlijk.
Ter plekke besloot ik dat het mogelijk moest zijn om met de Dafclub een aardige Volvo 66 op de kop te tikken, die een beetje op te knappen (ondanks zijn lamme arm is Luis best handig) en naar hem toe te rijden. Dat is een van de eerste dingen die ik ga proberen te regelen als ik terugben in Nederland.
Maar goed, het was donker en ik had geen zin meer om in het donker aan te bellen bij Gerrit Komrij, vooral niet omdat ik tot mijn knieën onder de gele klei zat. Het was tien over zeven en ik dacht, ik rij naar Coïmbra en ga daar slapen. Of misschien in Lissabon. Maar toen ik vlak voor Coïmbra op een goede weg kwam en zag dat Lissabon nog maar een kilometer of tweehonderd was en dat Sines dan nog maar honderdvijftig kilometer, besloot ik door te rijden.
(Tweede etappe. De route klopt niet helemaal, omdat mijn routeplanner de A2 naar de Algarve nog niet kent.)
Welke plaats dan ook, alles was besmet met de herinnering aan H. Alleen Sines niet. Ik had in een ruk door moeten rijden, over Madrid, dwars door Spanje, rechtstreeks naar Sines, zonder deze sentimental journey.
Het is me dus inderdaad gelukt om in drieënhalf uur van Coïmbra naar Sines te rijden. Constant 130 rijdend, in zware slagregens en zware wind. Niet verantwoord, ik weet het, maar ik was een beetje gek. Ik wilde naar huis en huis was Sines. Ik moest een keer tanken en dat leek me de gelegenheid om even de bandenspanning te controleren, al had ik dat beter voor het vertrek in Nederland kunnen doen. De eerste installatie werkte niet goed, zodat er feitelijk alleen maar lucht ontsnapt was uit een band. Gelukkig was er nog een andere, maar daar stond een of andere idioot (type zich door inlikken met promotie beloonde bankbediende) die zo zuinig op zijn nieuwe Passat was, dat hij elke band tot op de millibar nauwkeurig oppompte en controleerde met zijn bandenspanningsmeter in zacht kalfsleren etui. Wat een sukkel.
Tamelijk gefrustreerd knalde ik daarna door, waarna ik vast kwam te zitten achter een sukkel die tachtig hard genoeg vond. Ik overwoog even een lange neus naar hem te trekken door hem rechts via de vluchtstrook in te halen. Goddank dat ik dat niet deed, want op het moment dat ik hem op de normale wijze passeerde, zag ik op de vluchtstrook een auto staan, met vier mensen daarnaast. Jezusallemachtig. Vanaf dat moment heb ik wat rustiger gereden. Ik heb al eens vaker op het punt gestaan een ongebruikelijke manoeuvre uit te halen, die ik toch maar naliet, waarna ik onmiddellijk zag dat er doden zouden zijn gevallen als ik hem ook echt had uitgevoerd. Je zou bijna in beschermengelen gaan geloven. Maar dan zou ik ook moeten geloven dat H. een vloek had uitgesproken over het autootje en in mijn universum is geen plek voor bijgeloof. Alleen voor toeval en ultieme chaos.
Na Lissabon ging alles van een leien dakje. De Ponte de Vasco da Gama passeerde ik voor het eerst en de A2 naar de Algarve was al verder klaar dan ik besefte. Bij Grândola (deze naam komt later terug) was er keurig een afslag Sines en voor half twaalf stopte ik voor de deur van mijn vaste logeeradres in Sines, Pensão F. De eigenaar, Frederico Lourenço, werd door Willem in 1988 omgedoopt tot Harry en zo noem ik hem nog steeds. Zo noem ik eigenlijk elke eigenaar van een hotel of pension, waar ook ter wereld, trouwens.
Hij herkende me onmiddellijk, ook al was ik al drieënhalf jaar niet meer geweest. Er was al post voor me, keurig voor me doorgestuurd door mijn uitgeverij. De sfeer was van beginafaan al goed. Ik had nog helemaal niets gegeten, dus na de koffie liet hij een broodje warm vlees voor me maken, met een glas koud bier erbij. En het was nog 'a là maison' ook. Harry spreekt namelijk Frans en mijn Frans is beter dan mijn Portugees.
Daarna mocht ik een kamer uitzoeken. Ik wilde natuurlijk kamer 301, die aan de achterkant ligt. Harry wilde me een andere geven, omdat deze volgens hem niet zo goed was, maar omdat ik hem per se wilde gaf hij toe.
Ik heb in 1988 twee maanden op deze kamer geslapen, zelfs nog een paar nachten met mijn toenmalige vriendin C. Het is een heel simpele kamer. Er staat een twijfelaar, een nachtkastje, een klerenkast, een stoel en een tafeltje. Verder een wastafel annex urinoir en een kaal peertje aan het plafond. Ik snapte Harry's weerstand niet zo goed, want de kamer was opgeknapt: de muren opgeschilderd en gordijntjes voor de ramen.
Maar toen ik eenmaal in bed lag besefte ik dat ik echt vrijwillig voor de slechtste kamer uit het hele pension had gekozen. Ik werd 's ochtends wakker met nekpijn, zo diep is de kuil in het spiraal. Het regent door het dak en waait dwars door de kamer. Ik heb dus weer een nacht wakker gelegen van de kou. Verder deugen er nog een paar dingen niet. Maar ja, dit alles voor duizend escudo per nacht: elf gulden.
zaterdag 13 maart
Zaterdag was een rustige dag. Ik heb nog wat spullen uit mijn auto gehaald. heb een rondje door Sines gelopen en zag dat er niets en heel veel veranderd was, maar ik heb nog tijd genoeg om dat allemaal te beschrijven. Het bleef alleen maar regenen en ik ben die regen beu als kouwe pap. 's Avonds gegeten in een restaurant dat in 1994 nog een pastelaria was en genaaid (daar reageer ik heel simpel op: ik gun die mensen hun plezier van mij drie gulden extra afhandig te maken, maar ik kom gewoon niet meer terug) en daarna naar de slechtste bioscoop ter wereld om 'Celebrity' te zien. De zaal was gevuld met jonge meisjes, waarschijnlijk omdat Leonardo de Caprio meedeed. Ik wist niet dat het een Woody Allen was en die jonge meisjes moeten nogal geschrokken zijn van dat triootje van Leonardo en die pijples met een banaan die Babe Neuwirth (Lilith, de ex van Frasier) gaf.
zondag 14 maart
Ook weer een rustige dag. Ik heb de plaid uit de auto gehaald als extra deken op de extra deken die ik al had gekregen. De bedden zijn bedekt met een soort paardendekens, vol gaten. Hier wordt niet snel iets weggegooid. Iets minder regenachtig vandaag. Over het strand gelopen en door het dorp. Weer een ander restaurant uitgezocht. Fredemar is ook een restaurant, maar ik ben hier al de hele dag en ik vind het wel lekker om er even tussenuit te zijn. Daarbij is de keuken niet zo heel geweldig, zoals ik in 1994 al merkte. 's Avonds naar 'Chuva de Estrellas' gekeken, de Portugese versie van de Playback Show, gepresenteerd door een onaards mooie vrouw. De meeste artiesten die werden nagedaan kende ik helemaal niet, op Barry Manilow en Ella Fitzgerald na, en de jury was net zo'n stelletje ijdeltuiten als die van de Playback Show. Het grappige was wel dat de vrouw die Dulce Pontes nadeed, zeg maar de nieuwe Amalia Rodriguez, won. Hier schaamt men zich niet zo voor het nationale lied. Daarna nog te lang met Harry aan de zuip geweest. De conversatie met hem is zeer vermoeiend, zeker als je iets meer wilt vertellen dan wat je van het weer vindt. Bijvoorbeeld wanneer je iets over mieren wilt weten. Hoe heten mieren in het Frans?